Het bermbesluit van 27 juni 1984 regelt het beheer van bermen op een natuurvriendelijke wijze. Een omzendbrief van 1987 omschrijft bermen als “alle terreinen die bestaan uit zowel vlakke als hellende overgangszones tussen de eigenlijke weginfrastructuur en andere gebruiksterreinen”. Ook de stroken tussen verschillende rijbanen behoren er toe. Het bermbesluit zelf specificeert dat ook de taluds langs waterlopen en spoorwegen als bermen beschouwd worden.
Bij de toepassing van het bermbesluit dienen publiekrechtelijke rechtspersonen (oa, Gemeenten, Provincies, maar ook polderbestuuren, NMBS,...) rekening te houden met andere aspecten, zoals het instaan voor de verkeersveiligheid, het bestrijden van schadelijke organismen, het beheersen van de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast.
Het bermbesluit legt volgende voorwaarden aan de bermbeheerder op:
- De bermen mogen niet meer met biociden behandeld worden;
- De bermen mogen niet voor 15 juni gemaaid worden. Een eventuele tweede maaibeurt mag slechts uitgevoerd worden na 15 september. Het maaisel dient verwijderd te worden binnen de 10 dagen na het maaien;
- Bij het bermbeheer mogen de ondergrondse plantendelen en de houtige gewassen niet worden beschadigd. Een omzendbrief verduidelijkt dat de maaimachine voor het bermonderhoud niet lager dan 10 cm mag worden ingesteld.
Van de verplichtingen inzake maaidata en verwijderen van maaisel kan uitzonderlijk een afwijking gevraagd worden aan de minister van leefmilieu en enkel om reden van natuurbehoud.