Natuurpunt foto

Ecologie gierzwaluwen

Algemeen


Gierzwaluwen zijn geen echte zwaluwen. Zij behoren tot de familie van de Apodidae, en zijn nauwer verwant met kolibries(!) dan met zwaluwen. Apodidae wil zeggen ‘pootlozen’, maar dit klopt niet. Ze hebben speciaal ontwikkelde pootjes, namelijk met vier tenen naar voor gericht. Zo kunnen ze zich goed vastklampen aan rotsen of muren.

Gierzwaluwen hebben lange sikkelvormige vleugels en een licht gevorkte staart. Het verenkleed is donker bruin-zwart met een lichte keelvlek. Ze kunnen behendig en zeer snel vliegen, tot zo’n 120 km per uur. En dat voor een vogeltje van 15 cm met een vleugelspanwijdte van 45 cm. Ze kunnen 10 tot 20 jaar oud worden.

Gierzwaluwen hebben een bijzondere levenswijze. Ze brengen haast hun hele leven vliegend door: slapen, eten en zelfs paren doen ze in de lucht! Alle gierzwaluwen die geen nest hebben verzamelen zich ’s avonds in grote groepen en stijgen dan gezamenlijk naar een hoogte van drie tot vijf kilometer om dan in een soort halfslaap te blijven rondzweven. Bij sterke wind duurt het ’s ochtends soms wel een hele tijd vooraleer de afgedreven broedvogels de nestplaats terug bereiken.

Gierzwaluwen broeden in steden en gemeenten. Ze bewonen vooral spleten en gaten in oude gebouwen. Oorspronkelijk waren gierzwaluwen rotsbewoners, en door de eeuwen heen hebben ze de rotsen ingeruild voor onze huizen. Het zijn koloniebroeders, ze wonen met verschillende koppels samen en zijn heel plaatstrouw.

Gierzwaluwen zijn slechts kort in ons land: ze arriveren eind april, begin mei en tegen half augustus zijn ze bijna allemaal terug weg. Tijdens onze winter verblijven ze in tropisch en zuidelijk Afrika.

Gierzwaluwen zijn uitsluitend insecteneters. Ze vangen met hun extreem grote mondopening allerlei vliegende insecten uit de lucht. Als ze jongen hebben maken ze van al deze gevangen insecten tijdens een lange voedselvlucht een voedselbal, waarin wel driehonderd insecten kunnen inzitten.

Broedseizoen


Eind april, begin mei komen de eerste vogels aan. In de regel zijn dit mannetjes die al eerder hebben gebroed. Ze zijn zeer plaatstrouw en bezetten het nest van het vorige jaar. Enkele dagen later komen ook de vrouwtjes aan. Dan komen de vogels aan die nog niet eerder gebroed hebben en tenslotte de tweedejaarsvogels. Een kolonie gierzwaluwen bestaat dus niet alleen uit broedkoppels, maar ook uit ongepaarde vogels. Deze zoeken de schaarse nestplaatsen af en proberen in de buurt van de kolonie nog niet bezette nestplaatsen te zoeken.

De gepaarde vogels rusten de eerste dagen samen in de nestplaats, daarna wordt het nest opgeknapt. Rond 20 mei worden twee à drie eieren gelegd die, afhankelijk van de weersomstandigheden uitgebroed worden in 19 tot 24 dagen. Het mannetje en vrouwtje broeden afwisselend op de eieren. De jongen worden maar af en toe gevoerd, maar dan wel met een flinke voedselbal ineens. Per dag eet een gierzwaluwgezin tot 20.000 insecten! De jongen groeien snel en na zes weken zijn ze klaar om uit te vliegen.

Als het dagenlang slecht weer blijft en er vliegen bijna geen insecten in de lucht, dan is er onvoldoende voedsel voor de jongen. Deze kunnen dan in een soort lethargische toestand geraken waarbij hun lichaamstemperatuur daalt en hun ademhaling vertraagt. Dit kunnen ze maximaal tot zelfs twee weken volhouden. Hun ouders gaan in tussentijd dan heel ver, tot meer dan duizend kilometer, op zoek naar voedsel.Een andere strategie bij slecht weer is dat de ouders de hele dag op het nest blijven en tegen de avond (als het weer dan beter is) op jacht gaan naar de grotere insecten die dan vliegen (nachtvlinders, grote kevers).

In de buurt van een kolonie hangen in juni ongepaarde vogels rond. Deze houden ’s morgens en ’s avonds ‘giervluchten’ waarbij ze hard schreeuwend langs de nestplaatsen vliegen en soms aan de invliegopeningen hangen en roepen. Als ze dan antwoord krijgen vanuit het nest vliegen ze terug weg. Dit gedrag dient om te weten te komen waar geschikte nestplaatsen zijn en om lege nestplaatsen zo snel mogelijk te kunnen bezetten. Nestplaatsen zijn schaars en de competitie is scherp. Gierzwaluwen vliegen met grote snelheid aan op hun nestplaatsen. Daarom is het van het grootste belang dat ze niet klem geraken en ze zeker zijn dat ze, wanneer ze een opening binnenvliegen, er ook terug uit geraken. Daarom zijn ze zeer voorzichtig in het accepteren van nieuwe nestplaatsen en proberen ze het aanvliegen tientallen keren vooraleer ze echt voor het eerst naar binnen kruipen.

Lees ook