| De lederloopkever (Carabus coriaceus) is één van onze grootste inheemse loopkevers. De dieren zijn kort gevleugeld en erg gevoelig voor versnippering van bosgebieden. Uit onderzoek bleek dat het ecoduct “De Warande” in het Meerdaalwoud er voor zorgde dat dieren uit de populaties aan beide zijden van de Naamsesteenweg weer in contact komen met elkaar. |
 |
| De groene zandloopkever (Cicindela campestris) is een prachtige kever met groene dekschilden. De dieren kunnen goed vliegen, bij warm weer kan je hen moeilijker observeren omdat ze al snel opvliegen. De larven leven in een kuiltje in de grond en leven vooral van mieren. Het is een kenmerkende soort van heide en schraal begroeide plekjes in het landschap. In onze bossen kom je die vaak tegen op open plekjes in het bos. |
 |
| De goudglanzende loopkever (Carabus auronitens) is een typische soort van grote, oude boscomplexen. De soort is in Vlaanderen talrijk in het Zoniënwoud maar ontbreekt merkwaardig genoeg in het Meerdaalwoud en de grote bossen van Voeren. Intrigerend is dat de soort recent enkele keren is gevonden in Mol, Dessel en Balen. We vermoeden dat de Kempense bossen ook een geschikt leefgebied kunnen vormen als men naaldhout naar loofhout omvormt en voldoende dood hout laat liggen. |
 |
| De grote poppenrover (Calosoma sycophanta) kwam voor 1950 op 63 locaties in België voor. Na 1980 is de soort maar 1 keer meer waargenomen. De soort is opgenomen in de Rode Lijst van loopkevers, in de categorie “met uitsterven bedreigd”. Vanwege de voorkeur voor harige rupsen, die door andere dieren gemeden worden als prooi, is de kever als biologische bestrijding ingevoerd in de Verenigde Staten en Canada. Het hoofddoel van de introductie was het verdelgen van de plakker (Lymantria dispar). De kever komt daar inmiddels voor in minstens 6 staten. |
 |
| De slakkenloopkever (Cychrus caraboides) leeft voornamelijk van huisjesslakken. De kevers hebben een sterk versmalde kop en halsschild met vooruitstekende monddelen, dit als aanpassing aan hun prooidier. Ze kunnen hun kop ver in het huisje steken om verterend sap te laten inwerken. De slakkenloopkever is tamelijk algemeen in vochtige bossen. |
 |
De paarse loopkever (Carabus violaceus) is net als andere “schallebijters” een roofdier. Met zijn stevige kaken worden prooidieren als slakken, wormen en insectenlarven in stukjes geknipt en opgegeten. Het is een vrij algemene soort in onze bossen. Natuurinbeeld_paarseloopkever.jpg: Foto: Bernard Van Elegem |
 |
| Leistus spinibarbis is een loopkever met een mooie blauwe weerschijn. Het is een indicatorsoort van droge, warme bosranden op zand- en kalkbodem. De foto is genomen op de Kalmthoutse heide. Daar zal de soort gebaat zijn met de omvorming van monotone naaldbossen naar lichtrijke eikenberkenbossen. |
 |
| Notiophilus-soorten zijn zeer snelle, metaalkleurige dieren. Let op de grote ogen: dat is typisch voor zichtjagers. De kevers jagen namelijk op mijten en springstaarten, dus op kleine bodembewonende ongewervelden. De afgebeelde soort, Notiophilus rufipes, leeft in matig vochtige bossen. |
 |
| Abax-soorten zijn grote zwarte loopkevers met een kenmerkende brede bouw. Het zijn één van de weinige typische K-strategen onder de loopkevers. Dat betekent dat ze een lange ontwikkelingsduur hebben en lage aantallen nakomelingen, maar dat ze wel veel zorg besteden aan hun nakomelingen. Die strategie vinden we vooral onder soorten van stabiele milieus, zoals de afgebeelde Abax ovalis, een in Vlaanderen zeldzame kensoort van oude bossen. |
 |
| De breedborstloopkever (Abax parallelepipedus) is bij ons een algemene soort. De dieren zijn kort gevleugeld en kunnen dus niet vliegen. Het zijn wel goede lopers. Uit experimenten blijkt dat ze een snelheid van 12,2 cm per seconde halen! Als men de dieren loslaat in een veld op enkele tientallen meters van een bos, zullen ze zich oriënteren naar het donkerste punt aan de horizon, en dus het bos opzoeken. Dit illustreert hoe sterk de dieren aan bos gebonden zijn. Het is voor die en anderen ongevleugelde bosgebonden loopkevers van groot belang dat bossen met elkaar verbonden worden, bijvoorbeeld via brede houtkanten. |
 |
| Pterostichus cristatus is een soort met een klein verspreidingsgebied: enkel in Frankrijk en delen van aangrenzende landen komt de soort voor. Het is een kenmerkende soort van natte plekken in oude loofbossen, bijvoorbeeld langs beekjes in het bos. In België kan je de kever nog op veel plaatsen in de Ardennen vinden, maar in Vlaanderen is ze erg zeldzaam. |
 |
| Bembidion deletum komt vooral voor in bossen op “zwaardere bodems”, namelijk op klei- en leembodem. In België vinden we niet minder dan een 60tal soorten van het geslacht Bembidion. Dit zijn allemaal kleine, sterk gelijkende soorten en je moet heel wat ervaring hebben om die correct op naam te kunnen brengen. |
 |