De egel is een zoogdier en behoort tot de orde van de insecteneters. Naast insecten eet de egel echter ook nog heel wat andere dingen: rupsen, slakken, wormen, kevers, muizen, amfibieën, vogels, vruchten, paddenstoelen, aas, menselijke etensresten,... Bovendien zijn ze dol op eieren. Als een egel op zoek gaat naar voedsel maakt hij een heleboel lawaai. Ze smakken en snuiven er dan op los.

Het belangrijkste kenmerk van egels zijn hun stekels. Een volwassen dier heeft er normaal tussen de 7000 à 8000 op zijn rug en zijkant. De stekels zijn af en toe aan vervanging toe. Gemiddeld gaan ze anderhalf jaar mee. Onderaan zijn buik heeft de egel gewone haren. Er loopt een sterke kringspier op het overgangsgebied tussen de stekels en de gewone haren. Daarmee kan de egel zich bij gevaar oprollen tot een bolletje. Al werkt die oproltruc niet altijd feilloos. De vos weet de egel soms te misleiden door de egel in het water te rollen. Om niet te verdrinken moet de egel zich uitrollen, waarop de vos kan toeslaan.
Egels hebben verder een spitse snuit, kleine ogen en oren, en een piepklein staartje. Ze wegen maximum anderhalve kilo en worden niet veel groter dan 30 cm. Met zijn kleine oogjes ziet de egel niet goed. Maar dat vormt niet echt een belemmering want hij is vooral bij valavond en 's nachts actief. Hij gaat dan met zijn goed ontwikkelde gehoor en reukzin op zoek naar voedsel. Overdag blijven egels normaal in hun nest, dat ze maken van bladeren, mos of ander materiaal dat te vinden is onder struiken of takkenbossen.
WinterslaapEgels houden een winterslaap en slapen normaal van november/december tot april/mei. Hun lichaamstemperatuur daalt van 35 tot minder dan 10 graden. Daardoor verbruiken ze minder energie. Wanneer de temperatuur van de egel onder het vriespunt dreigt te zakken, worden ze wakker. Zo kunnen ze op zoek gaan naar een schuilplaats die hen beter beschermt tegen de koude temperaturen. Ook de hartslag en ademhaling van de egel dalen gevoelig tijdens de winterslaap. Als de egel in het voorjaar terug ontwaakt is hij gemiddeld zo'n 30 procent van zijn lichaamsgewicht kwijt. Het is dan ook belangrijk dat de egel in de maanden voor de winterslaap voldoende vetreserves kan opslaan.
Egels leven alleen en hebben min of meer een vast leefgebied. Al kunnen ze per nacht wel heel wat kilometers afleggen. Zo kunnen mannetjes tijdens het paringseizoen 2 à 3 kilometer overbruggen. Hun leefgebied kan in die periode zo'n 40 tot 60 ha bedragen. Terwijl dat bij vrouwtjes maar 20 ha is.
Het voortplantingsseizoen bij egels loopt van april tot en met augustus, maar er is een piek in mei en juni. Het paren duurt lang. Het mannetje loopt rond het vrouwtje om het te overtuigen om te paren. Het kan heel wat uren in beslag nemen alvorens het vrouwtje toegeeft of alsnog de benen neemt.
4 à 5 weken na de paring zien de jonge egeltjes het levenslicht. Al van bij hun geboorte hebben de egeltjes stekels, maar in het begin zijn ze nog zacht en wit. Na een drietal dagen worden de stekels harder. De eerste weken drinken egeltjes melk bij hun moeder. Als ze een drietal weken oud zijn, gaan ze samen met hun moeder op zoek naar eten. En na een zestal weken moeten ze zich al zelf weten te redden en op zoek gaan naar een eigen territorium. Bij de eerste winterslaap kruipen jonge egeltjes soms samen in een nest. Het gaat dan wel meestal om broertjes en zusjes.