Vanaf 2009 wordt een vernieuwde aanpak gevolgd om de toestand van de natuur in onze natuurgebieden op te volgen. Onder monitoring verstaan we niet langer enkel het opvolgen van de fauna en flora, maar ook van het gevoerde beheer, de vegetatiestructuur en de abiotiek in elk gebied. Om de verzamelde cijfers vergelijkbaar maken tussen gebieden, willen we gestandaardiseerde methodes gebruiken.
Voor elk natuurgebied wordt een
basisschema opgesteld dat bestaat uit een multisoortenlijst en een module rond de opvolging van het reguliere beheer. Daaraan kunnen extra modules worden toegevoegd, afhankelijk van de beschikbare tijd, kennis en vrijwilligers. Dit is de
standaardmonitoring. Goed onderzochte gebieden kunnen aansluiten bij de
meetnetmonitoring. Deze
tabel toont voor elk niveau welke modules verplicht, aangeraden of optioneel zijn. In het
Monitoringplan vul je jaarlijks in welke modules voorzien worden in jouw gebied.
Hieronder vind je een overzicht van de beschikbare modules en de laatste versie van handleidingen en invulformulieren.
Vragen of opmerkingen zijn welkom op
monitoring@natuurpunt.be.
Multisoortenmonitoring
Voor elk natuurgebied wordt een beperkte lijst opgesteld van op te volgen soorten, op basis van de aanwezige natuurtypes. Hiervan wordt jaarlijks minimaal de aan-of afwezigheid genoteerd. Wie aantallen kent, kan die ook melden. Handleiding -
Overzicht monitoringtypes (.xls) -
Overzicht multisoorten per monitoringtype (.xls)
Vegetatie
V1: NatuurtypekarteringVoor elk erkend natuurgebied dient een kaart van actuele natuurtypes te worden opgesteld. Die vormt de basis voor beheervisie, -planning, en –evaluatie. De aanmaak van de natuurtypekaart gebeurt meestal door de planner, maar ook vrijwilligers kunnen hierbij helpen. V2: Opvolgen van soorten en structuur in natuurtypes Om via de natuurtypes afgebakende karteringseenheden beter te definiëren, en veranderingen op te volgen, wordt gebruik gemaakt van een eenvoudige Tansley-schaal, aangevuld met een inschatting van de vegetatiestructuur. Zowel kensoorten als storingsindicatoren worden genoteerd V3: Opvolgen van vegetatie in proefvlakkenWie de evolutie van vegetaties in detail wil opvolgen, maakt best gebruik van permanente kwadraten (PQ’s). In deze vierkante vlakken met een vaste grootte wordt de soortensamenstelling, bedekking en frequentie in detail beschreven. Plantenkennis vereist! Handleiding |
InvulformulierV4: Rode lijst soorten floraWie geen tijd heeft om alle soorten op te volgen, kan zich beperken tot de soorten van de Vlaamse Rode Lijst. Deze methode vraagt minder tijd, en levert toch interessante informatie op over de evolutie van onze meest bedreigde planten. V5: Opvolgen doelsoorten vegetatieVoor bepaalde plantensoorten zoals orchideeën kan het nuttig zijn om deze in detail op te volgen, Hierbij wordt best op een gestandaardiseerde manier geteld. In de handleiding wordt een overzicht gegeven van de bestaande methodes. Opgelet, deze lijst groeit!
Soorten (fauna)
F1: Rode lijst soorten faunaWie de multisoortenlijst te beperkt vindt, kan ook de aanwezigheid van andere soorten noteren. Best worden dan alle soorten op de Rode Lijst genoteerd.F2: BroedvogelmonitoringOm de evolutie van de aantallen broedvogels op te volgen, sluiten we aan bij de Monitoringmethode voor broedvogels opgesteld door Sovon (NL) die gebaseerd is op territoriumkartering. Je kan kiezen tussen het in kaart brengen van álle broedvogels of van een selectie van 109 bijzondere broedvogels. Handleiding F3: DagvlinderroutesVeranderingen in de aantallen dagvlinders kunnen worden vastgesteld door het regelmatig tellen langs vaste trajecten, zogenaamde vlinderroutes. Door een vlinderroute te starten, verzamel je cijfermatige informatie over de evolutie van de dagvlinders en de invloed van het gevoerde beheer, en wordt jouw gebied onderdeel van een internationaal netwerk van vlinderroutes. Handleiding |
Invulformulier F4: NachtvlindermeetnetNachtvlinders vormen een boeiende maar weinig onderzochte soortgroep. In 2007 werd gestart met een meetnet waarbij in heel Vlaanderen nachtvlinders gevangen worden met hetzelfde type lichtval. De nachtvlinders worden op naam gebracht, geteld en opnieuw losgelaten. Door hier bij aan te sluiten, word jouw natuurgebied onderdeel van een ruimer netwerk van onderzoeksgebieden. Zowel specialisten als gemotiveerde beginners kunnen hieraan meedoen. HandleidingF5: Populatiekartering insectenInsectenpopulaties tellen of meten is niet gemakkelijk. Een eenvoudige methode om van bepaalde insectensoorten toch de toestand op te volgen, is om het ruimtelijk patroon van voorkomen regelmatig in kaart te brengen. Zo kunnen veranderingen worden vastgesteld en de effecten van het gevoerde beheer geëvalueerd. Handleiding F6: Potvalonderzoek ongewerveldenBodembewonende organismen zoals spinnen en loopkevers zijn vaak moeilijk te inventariseren. Voor een grondige kennis van de aanwezige soorten kan het nuttig zijn om potvallen te plaatsen gevuld met een fixerende vloeistof. Dit vergt wel heel wat kennis en tijd om de vallen te legen, triëren en alle gevangen exemplaren op naam te brengen. Handleiding F7: Poelenonderzoek amfibieënPoelen vormen in veel natuurgebieden een belangrijk netwerk voor veel aan water gebonden organismen. Door alle poelen in een gebied op kaart te zetten, en van elke poel af en toe de aanwezige soorten amfibieën te bepalen, krijg je een mooi beeld van de verspreiding en de toestand van de amfibieënpopulaties in jouw gebied. Handleiding F8: ReptielenmonitoringIn Vlaanderen komen slechts 5 soorten reptielen voor. Toch is nog in lang niet alle natuurgebieden gekend wat er zit.. Om te onderzoeken hoe het gaat met levendbarende hagedis, kan een vaste hagedissenroute gelegd worden. De aanwezigheid van hazelworm onderzoek je met warmtevallen. Voor het opvolgen van gladde slang, adder of ringslang worden schema’s op maat aangeraden waarvoor je best contact opneemt met de Amfibieën- en reptielenwerkgroep Hyla. F9: Zomerroutes vleermuizenWelke soorten vleermuizen jouw gebied bezoeken, kom je te weten via Bat-detector onderzoek. Door een vaste route regelmatig af te lopen, kan je ook de evolutie van de aantallen opvolgen. F10: Wintertellingen vleermuizenDoordat heel wat vleermuizen overwinteren in kunstmatige structuren zoals bunkers, forten, groeves en ijskelders, kunnen ze jaarlijks op relatief eenvoudige wijze geteld worden. Bevinden er zich in jouw natuurgebied dergelijke structuren, die nog niet opgevolgd worden, of wil je aansluiten bij zo’n wintertelling, neem dan contact op met de Vleermuizenwerkgroep. HandleidingF11: Monitoring muizen en spitsmuizenOm soorten en aantallen van muizen en spitsmuizen op te volgen kan gebruikt gemaakt worden van reeksen van life-traps. Hoe zo’n onderzoek kan worden gestandaardiseerd wordt momenteel uitgetest in een aantal gebieden. Wie al van start wil gaan met deze monitoring kan zich opgeven als testgebied bij de Zoogdierenwerkgroep. F12: Soortspecifieke monitoring zoogdierenOm voorkomen en toestand van eekhoorn, waterspitsmuis of eikelmuis te onderzoeken in een gebied, zijn soortspecifieke methodes nodig. Die werden of worden momenteel uitgetest in een aantal gebieden. Wie al van start wil gaan met deze monitoring kan meer informatie bevragen bij de Zoogdierenwerkgroep. F13: LibellenmonitoringDe meeste libellensoorten zijn goed herkenbaar, maar hun aantallen zijn moeilijk exact te schatten. Door waterpartijen gedurende een vaste tijdsduur te onderzoeken, en dit om de 3 jaar te herhalen, kan toch een inschatting gekregen worden van de veranderingen in de dichtheden en soortensamenstelling in een gebied.
Beheer
D1: Opvolging regulier beheerIn elk natuurgebied worden massa’s beheermaatregelen uitgevoerd door vrijwilligers, terreinploegen en externen. Noteren wat waar gebeurd is, zou een logische reflex moeten worden bij alle beheerders. Zo wordt de beheergeschiedenis van een terrein gedocumenteerd, en kan voor elk perceel de relatie gelegd worden tussen beheer, vegetatie, abiotiek enz. … Handleiding |
Invulformulier
D2: Opvolging beheerrestenWeten wat er gebeurd is op een perceel is interessant. Maar weten wat er van afkomt is dat ook. Door de hoeveelheid maaisel, takhout of strooisel te noteren die van een perceel wordt afgevoerd bij beheerwerken, kunnen conclusies getrokken worden over de biomassa en de productiviteit. D3: Opvolging éénmalige inrichtingswerkenEigenlijk is elk eenmalig inrichtingswerk een wetenschappelijk experiment. Hiervan de evolutie opvolgen kan belangrijke conclusies opleveren. De vegetatie opvolgen is de meest eenduidige methode.
Abiotiek
E1: Oppervlakte- en grondwaterDe waterstand is een cruciale factor in de ontwikkeling van vegetaties. Door middel van peilschalen en peilbuizen wordt de grondwaterstand gemeten. Met vaste meetlatten wordt de diepte in vennen en beken bepaald. Deze module vereist een wekelijkse tot tweewekelijks controle.
E2: Fysico-chemisch (grond)wateronderzoekNiet alleen de fluctuaties van het grondwater zijn van belang, ook de kwaliteit is bepalend voor welke biotopen in onze natuurgebieden kunnen ontwikkelen. Door het opvolgen van de kwaliteit (pH, conductiviteit, alkaliniteit, nitraten, fosfaten,…) houden we een vinger aan de pols. Want een kleine verandering van de grondwatersamenstelling kan grote gevolgen hebben op de doelvegetaties.E3: Fysico-chemisch bodemonderzoekNet als grondwater, levert ook een doorgedreven bodemonderzoek waardevolle informatie op. Zitten er teveel fosfaten in de bodem, is de bodem ijzerrijk, wat is de pH, … Al deze onderzoeken leveren waardevolle informatie op voor de standplaatsfactoren en helpen bij het formuleren van realistische doelstellingen.
Losse waarnemingen
Ook losse waarnemingen (niet dmv. een vaste methode verzameld) vormen een belangrijke bron van informatie over onze natuurgebieden. Sinds 2008 kunnen natuurwaarnemingen met de exacte locatie worden gemeld via www.waarnemingen.be. De via deze website ingevoerde gegevens worden vanaf 2009 ook gebruikt bij de opmaak van beheerplannen en monitoringrapporten. In de handleiding krijg je meer info over hoe deze koppeling gebeurt en over hoe je zelf aan de slag kan met jouw eigen gegevens. Handleiding