Natuurpunt foto

Bedreigingen

Op Sumatra kunnen we terecht spreken van een ecologische ramp op wereldschaal. Er zijn verschillende oorzaken voor het definitief verdwijnen van tropisch regenwoud op het eiland.
  • Oliepalmplantages voor zeep, shampoo, chips, ijskreem, make-up 400.000 ha in 1984, 2.200.000 ha in 1998, 5.000.000 ha in 2009?
  • Pulp & papier: 800% toename in 1988-1999, >90% pulpvezels uit natuurlijk woud
  • Houtindustrie: industriële en illegale kaalkap 6.700.000 ha regenwoud in concessie
  • Bosbranden: In 1997 stond Indonesië in vuur en vlam, spijtig genoeg herhaalt deze ramp zich op kleinere schaal jaar na jaar.

Oliepalmplantages

In 1848 voerden Nederlanders de West-Afrikaanse oliepalm in Indonesië in. Met een lange stok met een mes eraan worden de hele trospitten van de boom afgesneden. Uit de pitten perst men de palmolie. Deze olie is de grondstof voor verschillende producten, zoals: zeep, shampoo, chips, ijskreem, margarine, machineolie en cosmetica.
En……de wereldmarkt voor palmolie breidt zich razendsnel uit. De sector heeft groot industriële proporties aangenomen, vooral door zijn afhankelijkheid van internationale geldstromen en de grote belangstelling voor palmolieproducten.

Op Sumatra was in 1984 reeds 400.000 ha ingenomen door oliepalmplantages, in 1998 door 2.200.000 ha en haalt men 5.000.000 ha in 2005? Ook elders in Indonesië gaat de ontwikkeling van de plantages verder: op dit moment is in Indonesië zo’n 3 miljoen ha. beplant met oliepalmplantages. De voorspellingen zijn dat 50 procent van de oliepalmplantages voor de totale wereldbehoefte tegen 2020 (geschat op 40 miljoen ton palmolie) uit Indonesië zal komen. Dit betekent een uitbreiding met 300.000 ha. per jaar. De verwachting is dat Sumatra de grootste expansie zal moeten absorberen (nog zo’n 1.6 miljoen ha!).

De ontbossing van Indonesië voltrekt zich met onrustbarende snelheid. Palmolie brengt als belangrijkste landbouw exportproduct veel vreemde deviezen in het land. Daarom is deze industriële machine de grote katalysator geworden in de toenemende ontbossing in Sumatra in de negentiger jaren. Van de ongeveer 6,7 miljoen ha regenwoud dat verdwenen is in Sumatra tussen 1984 en 1987 is naar schatting 1,7 miljoen ha omgezet tot enorme oliepalm plantages. Een verdere 2,1 miljoen ha is gekapt maar nog niet in plantagecultuur omgezet. De Indonesische palmolie productie wordt gedomineerd door grote bedrijven die ook actief zijn in de hout- en papierpulpindustrie. Na het selectief kappen, proberen de bedrijven de bestemming van het gebied om te vormen van houtkap tot ontginning, waarna ze het terrein omvormen tot plantage en het resterende hout afvoeren naar de papierpulpfabrieken.

Pulp en papier

De papierpulpindustrie in Indonesië is verantwoordelijk voor de grootschalige kaalslag van tropisch regenwoud en de omvorming tot monotone houtplantages. Deze industrie is tevens een grote afnemer van illegaal gekapt hout. Op dit moment komt het merendeel van het hout voor de papierpulpindustrie nog van natuurlijk tropisch regenwoud. De meeste houtplantages zijn nog niet operationeel. Van de 6,7 miljoen ha regenwoud dat verdween tussen 1984 en 1987 is 0,8 miljoen ha vervangen door industriële houtplantages (van de 2,1 miljoen ha die hiervoor zijn vrijgegeven).
De maatschappij zal om zijn voortbestaan te verzekeren gebruik moeten maken van nieuw primair regenwoud dat tot nu toe beschermd was of een andere bestemming had en heeft een voorstel aan de Indonesische regering overgemaakt om een verdere 290.000ha regenwoud te gebruiken voor papierpulp en omzetting tot plantages.

Houtindustrie

De Indonesische regering heeft in Sumatra ongeveer 6,7 miljoen ha regenwoud vrijgegeven voor kapconcessies. Verschillende van de meest waardevolle laagland tropische bossen liggen in concessiegebied. Momenteel is het beheer van de concessies niet duurzaam en hoewel het wettelijk niet toegelaten is om het bos kaal te kappen, is de druk van de illegale houtkap binnen en buiten de concessiegebieden enorm groot.
Het illegaal vernietigen van het bos gebeurt zowel door overexploitatie door de concessiehouder als door vreemde inwijkelingen. De bestaande overcapaciteit in verwerkingsmogelijkheden van de papierpulpfabrieken ondersteunt momenteel een massale aanvoer van illegaal gekapt hout van concessie en niet-concessie gebieden. Wanneer het bos gekapt is, is de druk groot van lokale besturen en de maatschappijen die de concessies beheren om monotone plantages van acacia en oliepalm aan te leggen, in plaats van het bos enige kans op regeneratie te geven. De Indonesische overheid heeft vaak weinig keuze tussen alternatieven en is blij met het belastinggeld dat binnenkomt van de exploitatie van de plantages en de verkoop van hout. De geplande uitbreiding van de oliepalm industrie en de groeiende overcapaciteit van de papierpulpindustrie verhoogt de druk op het weinige overgebleven regenwoud.

Bosbranden

Ook in 2002 werd Sumatra weer geplaagd door vele bosbranden. Dikke rook legde het openbare leven deels lam. Als gevolg van de rook varieerde het zicht in de ergst getroffen gebieden van 10 tot 100 meter. Veel scholen werden gesloten met het oog op gezondheidsrisico en diverse luchtverbindingen werden tijdelijk opgeschort.
De bosbranden waren deze keer vooral het gevolg van het platbranden van landbouwgronden door boeren en minder dan vorige jaren het gevolg van het branden door concessiehouders. Ieder jaar lopen branden om het land verbouwingsrijp te maken uit de hand omdat dit vaak gebeurt in veengebieden. De branden slaan over naar de bossen waar de vuren moeilijk te bestrijden zijn. De centrale overheid vindt dat de provincies de verantwoordelijkheid hebben om deze problemen aan te pakken. Deze, op hun beurt, zeggen hier echter geen mensen en geen geld voor te hebben.

De laatste grote bosbranden in Indonesië dateren van 1997/1998. Tien miljoen hectare bos ging toen in vlammen op. Echter in 2002 waren er weer circa 4000 brandhaarden gesignaleerd. De branden hebben aangehouden tot het is beginnen te regenen tegen eind september.

Bosbranden zijn één van de oorzaken van het verdwijnen van het tropische regenwoud in Indonesië. De Indonesische regering had Australië gevraagd om hulp bij de bestrijding van de bosbranden. Door gebrek aan geld en personeel is Indonesië, volgens zeggen van de minister van Bosbouw, niet in staat om zelf de branden te bestrijden.

Lokale gevolgen van de branden
Na een brand is 100% van de vegetatie beneden de 10 cm dood en 70% van de vegetatie boven de 25 cm. Het bos heeft een redelijke potentie om te regenereren. De beheersmaatregelen hebben een grote invloed op de uiteindelijke vegetatie na een bosbrand: grasland of secundair bos.

Bij branden is er veel variaties in schade. Van grote invloed zijn de terugkerende branden. Een eerste brand richt veel schade aan, maar een terugkerende brand is destructief voor de bosvegetatie.

De natuurwaarde van een verbrand bos is sterk gedaald, maar is altijd nog hoger dan die van een grasland. Omdat het een kwetsbare vegetatie betreft kan er niet voorzichtig genoeg mee omgesprongen worden om verdere degradatie te voorkomen.

Een onverbrand bos heeft per hectare zo’n 200 soorten. Na een bosbrand is 70% van de vegetatie boven de 25 cm verloren gegaan, dat zijn 100 tot 150 soorten! De overleving van soorten is dus mede afhankelijk van stukken onverbrand bos.

Uit; Bosbranden Indonesië, door Mark van Nieuwstadt* en Karen Brouwer.
(* promotieonderzoek voor CIFOR, Universiteit van Utrecht)