Klik op de titeltjes om het antwoord te weten. Klik opnieuw om te minimaliseren
Wat betekenen de natuurdoelen voor mijn gebied, en in welke mate moet het beheer van onze gebieden aangepast worden?
Concrete gevolgen zijn nu nog moeilijk te voorspellen, maar wij gaan er alleszins van uit dat in het overgrote deel van de gevallen het beheer van onze gebieden niet aangepast zal moeten worden. De vogel- en habitatrichtlijn werden namelijk reeds lang als uitgangspunt meegenomen bij de opmaak van beheerplannen voor reservaten die in SBZ gelegen zijn. Wij gaan er dan ook vanuit dat de instandhoudingdoelstellingen in vele gevallen de doelstellingen van de beheerplannen zullen bijtreden. In ieder geval zullen wij bij de opmaak van een advies over het S-IHD-rapport onze beheerplannen als toetsingskader gebruiken. Als daaruit blijkt dat er toch een tegenstelling opduikt, dan zullen wij geval per geval en in overleg met de lokale beheerders van het reservaat daar rond een standpunt bepalen.
In elk geval zullen we in de toekomst bij de opmaak en uitvoering van nieuwe beheerplannen rekening moeten houden met de vastgestelde natuurdoelen per habitatrichtlijngebied. Dat betekent alleszins dat onze keuzemogelijkheden voor deze gebieden beperkter zijn dan vroeger. Echter, als wij niet bereid zijn om ons volop achter deze Europese doelstellingen te scharen bij het beheer van onze reservaten, hoe kunnen wij dan verlangen dat andere actoren wel bereid zouden zijn om hun landgebruik daaraan aan te passen?
Het is nu nog moeilijk te voorspellen waar men welke doelen concreet wil realiseren. Dat hangt af van het overlegproces over de natuurdoelen per habitatrichtlijngebied. Dit overlegproces start begin 2010.
Na dit overleg zullen de concrete gevolgen per gebied duidelijker worden. Vanaf 2011 tot 2015 worden de concrete instandhoudingsmaatregelen (in de vorm van natuurrichtplannen) opgesteld. Pas dan kan men met zekerheid zeggen wat er waar zal gebeuren.
Wat als we de natuurdoelen niet halen? In welke mate zijn de natuurdoelen afdwingbaar? Wat zijn de sancties?
De natuurdoelen moeten tegen december 2010 klaar zijn. De concrete vertaling van doelen naar maatregelen gebeurt in Vlaanderen in de 5 jaar daarna via de opmaak van natuurrichtplannen. Die plannen moeten duidelijk in beeld brengen waar en hoe de doelen in dat gebied zullen gerealiseerd worden. Vervolgens moet Vlaanderen om de 6 jaar aan de Europese Commissie een uitvoerig rapport bezorgen over de staat van instandhouding van alle Europees beschermde habitats en soorten, evenals over de maatregelen die ze genomen heeft om hun gunstige staat van instandhouding te behouden/herstellen. Of m.a.w. welke maatregelen werden genomen om de vooropgestelde doelen te halen? Het eerste rapport in die zin, gemaakt door het INBO, verscheen in 2007. Het volgende zal dus in 2013 verschijnen. Als we niet voldoende inspanningen leveren om de doelen te halen, kan de Europese Commissie boetes opleggen of schrappen in bepaalde (landbouw- of structurele) subsidies. Maar ze zal altijd eerst de lidstaat waarschuwen en de kans geven om haar huiswerk beter te maken.
Hebben de natuurdoelen ook buiten de Natura 2000-gebieden een invloed?
Ja. Er zijn verschillende Europees bedreigde soorten (= ofwel de ‘bijlage 4-soorten’ van de Habitatrichtlijn) die over heel Vlaanderen beschermd moeten worden, dus ook buiten de Natura 2000 gebieden. Daarnaast bestaat er een belangrijk instrument, de passende beoordeling, die bedoeld is om activiteiten (vb aanleg van een weg, industriële of landbouwactiviteit, …) in en rond deze gebieden te beoordelen op mogelijke negatieve invloed op het halen van een natuurdoel voor een Natura 2000-gebied. Blijkt de invloed van deze activiteiten negatief te zijn, dan moet men deze activiteit ofwel aanpassen, ofwel wordt ze verboden, ofwel moet er indien er een groot maatschappelijk belang aangetoond kan worden, gecompenseerd worden.
Omgekeerd bestaat er ook een invloed van de natuur buiten de gebieden op de natuurdoelen. Als de natuur buiten de gebieden in een armzalige toestand is, zal het veel moeilijker zijn om de natuurdoelen te halen. Vandaar het belang van een goede instandhouding van al onze natuur. Wel ligt de focus op het halen van de natuurdoelen binnen de grenzen van de Natura 2000-gebieden.
Tot slot werden de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen opgesteld vanuit het gegeven dat er momenteel in Vlaanderen 60 tot 85.000 ha kwaliteitsvol habitat is gekend, waarvan zo'n 40.000 ha binnen SBZ gelegen is. Voorts werd gesteld dat er zo'n 115.000 ha kwaliteitsvol habitat nodig is om een gunstige staat van instandhouding van alle betrokken habitattypes te kunnen verzekeren. Bijgevolg moeten ook de bestaande kwaliteitsvolle habitats buiten de SBZ's minstens behouden worden om de gewestelijke doelen te kunnen realiseren.
Wat met de natuurbescherming buiten de Natura 2000-gebieden? Gaan er hiervoor nog middelen overblijven?
De discussie over de financiële middelen moet nog gevoerd worden. Sowieso pleit Natuurpunt ervoor om een extra budget te voorzien om deze natuurdoelen te realiseren, en niet van andere natuurfondsen af te snoepen. Voor Natuurpunt zijn alle soorten en habitats van belang, en is hun staat van instandhouding ook van belang voor de staat van instandhouding van de Europees bedreigde soorten en habitats. Enkel de natuur binnen de gebieden beschermen en de rest verwaarlozen, zou zeer nefast zijn voor de beschermde gebieden en de rest van de Vlaamse natuur op langere termijn. Voorkomen is beter/goedkoper dan genezen.
Welke extra middelen worden voorzien om deze natuurdoelen te halen?
De middelen komen van Europa én de lidstaat zelf. Europa heeft een fonds opgericht om maatregelen te financieren binnen deze Natura 2000 gebieden; het Life Nature-fonds. Ook kan men bijkomende middelen gebruiken die men krijgt uit de landbouw- en structurele subsidies. Daarnaast zal elk lidstaat zelf in de nodige financiële middelen moeten voorzien om de doelen te realiseren. Natuurpunt pleit voor extra middelen en niet voor het verschuiven van middelen zodat we kunnen blijven investeren in al onze Vlaamse natuur.
Liggen de natuurdoelen vast? En liggen de grenzen van de Natura 2000-gebieden vast?
De gewestelijke doelen en grenzen liggen vast in regeringsbesluiten. Het is niet de bedoeling dat ze constant aangepast worden (dat geeft te veel onduidelijkheid). Dat neemt niet weg dat er geen discussie kan bestaan over de afbakening van bepaalde gebieden of over de juistheid van een vooropgesteld natuurdoel. Er bestaat wel steeds de mogelijkheid - zelfs de verplichting - dat de doelen en grenzen aangepast moeten worden als uit wetenschappelijke rapporten blijkt dat de huidige afbakening en doelen niet volstaan om het behoud/herstel van de gunstige staat van instandhouding te garanderen.<
Wat met het VEN en de afbakening van het buitengebied? Gaan deze nog gewoon door? Het VEN en de afbakening van het buitengebied hebben niet veel opgeleverd. Wat zullen deze natuurdoelen opleveren?
We begrijpen dat er enige frustratie bestaat door voorgaande afbakeningsprocessen, aangezien die vaak lang duurden en aangezien de resultaten vaak anders waren dan verwacht. Toch is het afbakeningsproces een belangrijke stap in de verdere bescherming van onze natuur. De bedoeling van natuurgebieden afbakenen, blijft dan ook om ze veilig te stellen voor de toekomst. En om ervoor te zorgen dat er een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden ontstaat waarbinnen soorten vrij kunnen bewegen. Vandaar de verschillende afbakeningspogingen.
De instandhoudingsdoelstellingen zullen een belangrijk uitgangspunt zijn bij de volgende fase van de afbakeningsprocessen van het buitengebied en het VEN:
Afbakening buitengebied in 2 fases
1. De afbakening van het VEN (begonnen in 1997) was, na de mislukte Groene Hoofdstructuur (GHS) in 1991, niet gemakkelijk. Uiteindelijk werd er zo’n 85.000 ha VEN afgebakend. De afbakening van het VEN is een eerste fase in de afbakening van het Vlaamse buitengebied. En die afbakening van het buitengebied is een onderdeel van het eerste Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV 1).
2. De tweede en huidige fase van de afbakening van het Buitengebied die vanaf 2004 van start ging, gaat over de afbakening van de landbouwgebieden en de rest van de natuurgebieden. Dit gebeurt adhv ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP). Hierbij werden reeds 500.000 ha landbouwgrond herbevestigd. Uiteindelijk wil men met het RSV 1 komen tot 750.000 ha agrarisch gebied, 150.000 ha natuurgebied, 53.000 ha bosgebieden en 34.000 ha andere groengebieden.
De deadlines voor de Vlaamse afbakeningsprocessen van het VEN en Buitengebied werden niet gehaald. Een echte einddatum is nu niet vastgesteld. Voor het Natura 2000-netwerk is er wel een dwingende einddatum: eind 2010. In ieder geval zullen de twee processen blijven verder lopen. Logischerwijs worden ze op elkaar afgestemd, maar dat valt nog af te wachten.
Kunnen we de natuurdoelen gebruiken om activiteiten in en rond deze Europees beschermde gebieden te doen stoppen?
De bedoeling van de natuurdoelen is niet om te komen tot een ecologische dictatuur waarbij alles verboden is binnen deze Europees beschermde gebieden. Wel is het de bedoeling om te komen tot een harmonieus samenleven van mens en natuur. Dankzij de natuurdoelen wordt het mogelijk om op een objectieve manier de impact van activiteiten binnen en rond deze gebieden te beoordelen.
Hiervoor bestaat er een belangrijk instrument, nl de passende beoordeling. Deze is bedoeld om vergunningsplichtige activiteiten (vb aanleg van een weg, industriële of landbouwactiviteit, …) en beleidsplannen in en rond de Europees beschermde gebieden op een objectieve manier te beoordelen op mogelijke negatieve invloed op het halen van deze natuurdoelen. Blijkt de invloed van deze activiteiten en/of plannen significant negatief te zijn, dan moet men deze ofwel aanpassen, ofwel wordt ze verboden, ofwel moet er -indien er een groot maatschappelijk belang aangetoond kan worden- gecompenseerd worden (vb voor de uitbreiding van de Antwerpse haven zijn er heel wat nieuwe natuurgebieden ter compensatie van verloren natuurwaarden aangelegd.) Indien echter blijkt dat een activiteit geen negatieve impact heeft, dan kan die activiteit gewoon doorgaan. Het doel van de natuurdoelen is dan ook om een objectief en eenduidig toetsingskader te bieden voor het afwegen van natuur- met andere belangen om alzo te komen tot een evenwichtig samengaan van menselijke en natuurlijke activiteiten.
Zijn we hier niet erg laat mee? Er is blijkbaar nog veel werk te doen voor eind 2010.
Het natuurbeleid vordert in het algemeen inderdaad zeer langzaam. De twee Europese richtlijnen voor deze natuurdoelen, de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn dan ook al van 1979 en 1992. Er is dus al heel wat voorbereidend werk geleverd om tot deze uitvoerende fase te komen. Waarom het dan zo lang duurde, komt bijvoorbeeld doordat de afbakening van de gebieden in de verschillende lidstaten moeizaam verliep. Daarnaast moest de nationale wetgeving voldoende aangepast worden. Vlaanderen werd voor zowel voor de afbakening als voor de aanpassing van haar wetgeving door Europa op de vingers getikt en moest dus beide keren haar huiswerk beter maken (net zoals verschillende andere lidstaten). Pas wanneer elke lidstaat haar voorstellen voor afbakening van habitatrichtlijngebieden had ingediend, kon de Europese Commissie deze analyseren en opnemen in de lijst van gebieden van Communautair Belang. En pas wanneer deze lijsten bestonden, startte de volgende fase waarin lidstaten verplicht worden om deze gebieden finaal af te bakenen en concrete doelstellingen op te stellen. Maar nu, 17 jaar na het opstellen van de habitatrichtlijn, worden de doelen dus eindelijk concreet. De deadline van eind 2010 is niet meer veraf, maar wel nog haalbaar. Tenminste als het overlegproces over de natuurdoelen per habitatrichtlijngebied zeker begin 2010 van start gaat, én op tijd afgerond wordt. Zodat de nodige adviezen kunnen gegeven worden door de adviesraden en zodat de regering tijd genoeg heeft om een besluit te nemen en het aan Europa te presenteren.
Dus het overleg over de natuurdoelen per gebied wordt een moeilijke discussie met de andere belangengroepen? Hoe kunnen we ons voorbereiden?
De moeilijkheidsgraad van de discussie zal natuurlijk verschillen van gebied tot gebied en afhangen van in welke mate betrokken partijen tegenstrijdige belangen in dat gebied hebben. Sowieso is samenwerking tussen de verschillende partijen noodzakelijk. Als de ene partij bij een bepaald gebied niet wenst mee te werken, zal dat de druk verhogen op de andere leden van dezelfde partij in alle andere gebieden. En dit omdat het gewraakte natuurdoel dan elders moet gerealiseerd worden. Het is belangrijk om samen met de andere partijen aan tafel te zitten, aangezien dan de kans op een betere uitvoering van de instandhoudingsmaatregelen verhoogt. Iedereen is dan mee met het hele biodiversiteitverhaal, plus iedereen is op de hoogte van de gevolgen van bepaalde activiteiten, én iedereen zal ook zijn verantwoordelijkheid moeten nemen om samen het biodiversiteitsverlies te stoppen en te komen tot een gunstige staat van instandhouding.
Wil Europa met het Natura 2000-netwerk bijkomende natuurreservaten creëren ?
Neen: de oprichting van natuurreservaten is geen doel op zich, maar kan wel nodig zijn om de beoogde natuurwaarden in stand te houden. Menselijke activiteiten worden in ieder geval niet per definitie uitgesloten: in sommige aangeduide gebieden zal de menselijke activiteit zelfs een vereiste zijn voor de instandhouding ervan, en zal die activiteit misschien zelfs extra gestimuleerd moeten worden. Dat is bv. Het geval voor heidevegetaties of bepaalde graslanden die gemaaid of begraasd moeten worden. Ook bossen zullen verder geëxploiteerd kunnen worden zolang er maar rekening wordt gehouden met de ecologische vereisten van de habitats en soorten in het gebied. Een cruciale vereiste is wel dat de menselijke activiteiten in deze gebieden verenigbaar zijn met de beoogde bescherming (en dus met het voortbestaan op lange termijn) van de habitats en soorten waarvoor deze gebieden aangeduid zijn.
Hoeveel Natura 2000-gebieden moet een lidstaat aanduiden?
Voor elke lidstaat wordt ernaar gestreefd om minimaal 20% en optimaal 60% of meer van de totale oppervlakte van een habitattype of een leefgebied van een soort in een lidstaat aan te duiden als Natura 2000-gebied. Daarmee beoogt de richtlijn het voortbestaan op lange termijn van deze habitats en soorten te garanderen. Het aantal voorgestelde gebieden (en hun oppervlakte) hangt af van het feit of de habitats en soorten een relatief ruim verspreidingsgebied hebben of integendeel zeer lokaal voorkomen. In dat laatste geval dient uiteraard een belangrijker aandeel van hun leefgebieden afgebakend te worden om hun behoud te kunnen garanderen. Bovendien moet bij de selectie van de gebieden een goede “geografische dekking” van de habitats en soorten verzekerd worden. Lidstaten met uitgestrekte en dunbevolkte regio’s zijn in het algemeen sneller geneigd grotere gebieden af te bakenen dan lidstaten met een hoge bevolkingsdichtheid en met versnipperde gebieden.
Brengt de afbakening van Natura 2000-gebieden belangrijke beperkingen met zich mee ? Welke activiteiten zijn er nog mogelijk?
Dat hangt af van het gebied en van de impact van de menselijke activiteiten op dat gebied. Alle handelingen die niet verenigbaar zijn met de doelstelling van de richtlijn om de habitats en soorten binnen deze gebieden “in een gunstige staat van instandhouding te behouden en te herstellen”, zullen uiteraard uitgesloten worden. In de praktijk zal die aanduiding in veel gevallen echter weinig gevolgen hebben: de meeste gebieden werden immers aangeduid omdat het daar toegepaste beheer de aanwezige natuurwaarden tot dan toe behouden heeft. Een opname van dergelijke gebieden in het Natura 2000-netwerk zal dus enkel een voortzetting van de toegepaste beheerspraktijken vereisen en dus weinig of geen extra beperkingen opleggen. Bovendien kan het Natura 2000-netwerk in streken met ernstige socio-economische problemen ook nieuwe vormen van ontwikkeling promoten (natuur- en milieuvriendelijke land- of bosbouwpraktijken, ecotoerisme,...).
Wie bepaalt wat kan en mag binnen de Natura 2000-gebieden ?
Een Europese richtlijn bepaalt welke resultaten de lidstaten moeten bereiken, maar dicteert niet de wijze waarop dat moet gebeuren. De lidstaten (in ons land de gewesten, aangezien het natuurbehoud een geregionaliseerde materie is) bepalen met andere woorden zelf de wijze waarop ze de richtlijn in eigen wetgeving omzetten en hoe ze deze wetgeving op het terrein afdwingen. De Europese Commissie zal er echter wel over waken dat die omzetting correct gebeurt en dat de nodige beschermings- en beheersmaatregelen voor de gebieden ook effectief uitgewerkt én uitgevoerd worden.
Welke beheersverplichtingen gelden voor de Natura 2000-gebieden?
Het staat de lidstaten vrij te kiezen welke wettelijke, bestuursrechtelijke of contractuele instandhoudingsmaatregelen ze voor de verschillende Natura 2000-gebieden treffen. Gebiedsgebonden beheersplannen of in andere bestemmingsplannen geïntegreerde beheersplannen zijn hiervoor zeer geschikt en maken het mogelijk precieze doelstellingen en werkinstrumenten te definiëren. Zo voorziet het Vlaamse Natuurdecreet van 1997 bv. de opmaak en uitvoering van natuurrichtplannen voor de gebieden van de natuurlijke structuur van het VEN en het IVON en van gebieden “in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen”. De uitvoering van een natuurrichtplan gebeurt door bestaande instrumenten zoals beheersplanning en -uitvoering, natuurinrichting, beheersovereenkomsten, verwerving,…
Zijn nieuwe projecten of activiteiten binnen deze gebieden nog mogelijk?
Artikel 6 van de Habitatrichtlijn is daarover zeer duidelijk: voor elk plan of project dat significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is er eerst een passende beoordeling (een zogenaamde effectenrapportering) door de bevoegde nationale instanties – in Vlaanderen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - nodig. Die moeten uitmaken of er gevolgen zullen zijn voor de aanwezige natuurwaarden die voor de opneming van dit gebied in het netwerk bepalend zijn geweest. Als blijkt dat er geen significante gevolgen te verwachten zijn, kunnen dergelijke projecten of activiteiten toegestaan worden. Indien er wel gevolgen zijn, moet er gezocht worden naar alternatieven. Is het project werkelijk “van groot openbaar belang”, dan kan het eventueel toch doorgaan mits het nemen van passende compenserende maatregelen.
Zijn er ook gevolgen buiten de afgebakende gebieden?
Lidstaten zijn verplicht alle maatregelen te nemen die nodig zijn voor het behoud van de habitats en soorten die voorkomen binnen de afgebakende gebieden, en waarvoor het gebied is aangewezen. Die maatregelen kunnen echter ook buiten deze gebieden opgelegd worden indien daar activiteiten doorgaan die een effect binnen het gebied (kunnen) hebben. Bovendien zijn de lidstaten ook verplicht om voor een aantal dieren plantensoorten uit Bijlage IV strikte beschermingsmaatregelen over het volledige grondgebied van de lidstaat te nemen, en kunnen ze – indien het nodig geacht wordt – buiten de aangeduide gebieden tevens maatregelen nemen om een aangepast beheer van kleine landschapselementen te promoten.
Is er een verband tussen het Europees Natura 2000-netwerk en de toekomstig Vlaamse VEN en IVON?
Het creëren van twee parallel naast elkaar bestaande netwerkstructuren in Vlaanderen – een Vlaams en een Europees – zou voor veel nutteloze verwarring en complicaties zorgen. Natuur die op Europees niveau belangrijk is, is dat ongetwijfeld ook op Vlaams niveau. In de praktijk zal ook blijken dat het overgrote deel opgenomen zal zijn binnen het VEN en het IVON. Andere delen zullen terecht komen in Natuurverwevingsgebied en in mindere mate ook in Natuurverbindingsgebied. De Vlaamse overheid heeft er bij de aanpassing van het Natuurdecreet van eind 1997 dan ook over gewaakt dat beide soorten gebieden zoveel mogelijk overlappen en onder één centrale wetgeving vallen. Het natuurdecreet voorzag ook reeds in de oprichting van een Integraal Verwevingsen Ondersteunend Netwerk (IVON), dat het VEN- en Natura 2000-netwerk kan versterken en een invulling kan geven aan artikel 10 van de Habitatrichtlijn, dat het beheer van de kleine landschapselementen regelt.
Wat kost de oprichting van dit Europees netwerk ? En wie gaat dat betalen?
Momenteel valt de totale som die hiervoor nodig is, nog niet te bepalen. De Europese Commissie heeft eind 2001 echter in samenwerking met de lidstaten een werkgroep opgericht om een inzicht te krijgen in de budgetnoden voor de implementatie van Natura 2000. Specifiek voor de realisatie van het Natura 2000-netwerk is er ook een Europees fonds in het leven is geroepen: het “Life Natuur”- fonds heeft als doel projecten voor het behoud en herstel van de habitats en soorten van de twee natuurbehoudsrichtlijnen te ondersteunen. Daarnaast bestaan er op Europees vlak nog tal van andere instrumenten (vnl. de Structuurfondsen en de Gemeenschappelijke initiatieven zoals Leader en Interreg) die aangewend kunnen worden, al zijn ze hiervoor eigenlijk niet geconcipieerd. Ook lidstaten zelf kunnen een belangrijke financiële bijdragen leveren, ter vergoeding van inkomstenderving, voor beheersmaatregelen of in het kader van beheersovereenkomsten, door het verminderen van de grondbelasting of de erfrechten voor terreinen binnen Natura 2000-gebieden,… Bovendien moet erover gewaakt worden Natura 2000 niet enkel te beschouwen als een extra kost: de aanduiding van deze gebieden kan ook een meerwaarde betekenen op socio-economisch vlak.