Welke soorten dolfijnen en walvissen zwemmen rond in de Belgische Noordzee? We bespreken de drie meest voorkomende soorten die je kan waarnemen in de buurt van onze Belgische Kust. Klik op de foto's voor een groter beeld.
Witsnuitdolfijn
Deze dolfijn heeft een groot, robuust lichaam en een korte, brede snuit, puntige vinnen en

een grote, sterk gekromde rugvin op het midden van zijn rug. Zijn kleur kan nogal variëren: van een zwarte tot grijze rug, vinnen en staart, en een witte tot lichtgrijze buik. De snuit is niet altijd zuiver wit, maar kan ook wit met zwart of grijs zijn. Witsnuitdolfijnen zijn stevige dieren, die tot 2,5 meter groot kunnen worden en tot 350 kilo kunnen wegen.
Witsnuitdolfijnen komen vooral voor in diepe en koele wateren, weg van de kust. Soms wagen ze zich tijdens de zomermaanden dichter bij de kust. Waarnemingen gebeuren vooral op zee ofwel gaat het om gestrande exemplaren (dood of levend). Witsnuitdolfijnen leven in groepen van minder dan 50 dieren, maar groepen van enkele honderden dieren zijn ook al waargenomen. Ze komen vaak voor in gezelschap van andere walvisachtigen. Witsnuitdolfijnen zijn snelle en krachtige zwemmers. Deze dolfijnen maken dikwijls zeer hoge sprongen uit het water, en komen dan met een luide klap op het wateroppervlak neer. Ze kunnen tot zo’n 215 m. diep duiken en rond de 6 minuten onder water blijven.
Alle bedreigingen voor deze soort, komen van de mens. Op bepaalde plaatsen (zoals de Faröer eilanden) worden ze soms voor consumptie gevangen. Andere bedreigingen zijn het verstrikt raken in visnetten, chemische verontreiniging en veranderingen in hun leefomgeving.
Bruinvis
Bruinvissen hebben een bol voorhoofd en nauwelijks een snuit. Kenmerkend voor de

bruinvis is de kleine, driehoekige rugvin met stompe tip net achter de helft van de rug. De kleur varieert nogal: Meestal een donkergrijze tot blauwe rug en een witte of lichtgrijze buik. De borstvinnen, rugvin en staart zijn donker gekleurd. Van de mondhoek naar de borstvinnen loopt een donkere streep. De bruinvis is de kleinste walvisachtige van Europese wateren, met een gemiddelde lengte en gewicht van 1,45 m en 50 kg bij de mannetjes en 1,60 m en 60 kg bij de vrouwtjes.
Bruinvissen komen meestal voor in water met temperaturen van enkele graden tot ongeveer 20°. Ze voelen zich niet thuis in zoet water, maar komen af en toe in rivieren en brak water voor omdat het dieren zijn van ondiep water. Daarom zijn ze ook vaak dicht bij kusten waar te nemen. Meestal zijn ze met z’n tweeën of in kleine groepjes tot 10. Als het water heel voedselrijk is, of als ze migreren ontstaan er grotere groepen, van wel honderden bruinvissen. Het gebied van de gewone bruinvis overlapt met dat van de tuimelaar en er wordt vermoed dat bruinvissen soms door tuimelaars aangevallen worden. Boten zal de bruinvis zoveel mogelijk mijden.
De bruinvis zwemt niet echt verrassend snel, maar kan tot 23 km/h. halen. Als de bruinvis jaagt, duikt hij ongeveer 4 minuten (tot 6 minuten) en kan daarbij een diepte van 200 m. halen. Een acrobaat is het niet, vanuit het water opspringen is een zeldzaamheid voor de bruinvis. Karakteristiek is het zwemmen net onder de oppervlakte, waarbij de bruinvis kort achter elkaar aan de oppervlakte komt om dan vervolgens onder te duiken voor een paar minuten. Het geluid van de spuit van de bruinvis wordt door sommigen omschreven als een “plof”, door anderen als een nies.
Alle grote bedreigingen voor de bruinvis zijn veroorzaakt door de mens. De grootste daarvan is het risico om verstrikt te raken in de netten van vissers. In sommige gebieden wordt ook nog steeds actief op ze gejaagd. Verder worden ze bedreigd door chemische verontreiniging, lawaai en verstoring door o.a. de scheepvaart, overbevissing en het verlies van hun leefomgeving of achteruitgang van die leefomgeving. De bruinvis was in het begin van de jaren 1950 nagenoeg volledig verdwenen uit het zuidelijk deel van de Noordzee, maar maakte er op het einde van de jaren 1990 een spectaculaire comeback. Tegenwoordig is de soort opnieuw een algemene verschijning in Belgische wateren, vooral in de winter en in het begin van de lente.
Tuimelaar
De tuimelaar heeft een halfgroot, robuust en gestroomlijnd lijf. Zijn rugvin is halverwege

de rug geplaatst en het achterste deel is sterk gebogen. Hij heeft een staartvin van ca. 60 cm spanwijdte en een borstvin van 30 tot 50 cm lang. De tuimelaar heeft een stompe snuit. Volwassen dieren zijn 1,75 tot 4 meter groot (mannetjes zijn aanzienlijk groter dan vrouwtjes.). Tuimelaars zijn zwart of donker grijsbruin op de rug en hebben een lichte buik. Volwassen dieren wegen 90 tot 650 kilo.
Tuimelaars komen zowel aan de kust als op volle zee voor en soms zwemmen ze een rivier op. De soorten die aan de kust leven geven de voorkeur aan wateren met een diepte van ten hoogste 30 meter. Ze komen voor in koude, gematigde tot tropische wateren. Tuimelaars leven in familiegroepen, en tref je zelden alleen aan. Meestal bestaat een groep uit minder dan 20 dieren, maar er zijn uitzonderingen. Ook groepen van 10 tot 100 dieren (langs de kust) tot enkele honderden (op volle zee) worden waargenomen. Ze worden vaak gezien in het gezelschap van andere walvissen.
Tuimelaars zijn krachtige zwemmers en ze staan bekend om hun acrobatische vaardigheden, zoals het zwemmen op de golven van boten of het opspringen langs boten. Ze halen een maximum snelheid 30 km/u, kunnen tot 600 m diepte duiken en tot 8 minuten onder water blijven. Deze dolfijnensoort heeft grote hersenen (groter dan die van de mens). Door hun aanwezigheid in dolfinariums en in televisieseries, zijn tuimelaars ongetwijfeld de bekendste dolfijnensoort.
Bedreigingen voor de tuimelaars zijn o.a. de jacht. Sommige vissers doden hen vanwege veronderstelde competitie. Andere bedreigingen zijn: overbevissing, verstrikt raken in visnetten, houden in gevangenschap (dolfinariums), chemische verontreiniging, menselijke verstoringen (door toerisme en scheepvaart) en afbraak van de habitat.
Minder bekend
Er bestaan dolfijnensoorten waarvan we nog niet zoveel weten; zo zijn er
spitssnuitdolfijnen, die in diepe zeeën leven en hun voedsel zoeken op
honderden meter diepte - ze hebben daarvoor zeer specifieke fysische
aanpassingen. Heel af en toe spoelt er eens een spitssnuitdolfijn aan op
onze stranden. Daarnaast voert men de laatste jaren vaak genetisch
onderzoek uit op gestrande dieren, maar ook op dieren in het wild. Uit dit
onderzoek moet blijken of er meer dan één soort orka bestaat, zoals tot nu
aangenomen.
Lees meer