Natuurpunt foto

Vleermuizentellers gaan ondergronds

Bericht uitgegeven door de Vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt op dinsdag 24 januari 2012

Als de winter begint, start voor de Vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt een druk seizoen. In die periode trekken vrijwilligers naar de overwinteringsplaatsen van vleermuizen en tellen het aantal exemplaren. In de winter van 2010-2011 werden 596 tellingen uitgevoerd en werden 9.917 vleermuizen geteld, verdeeld over 13 soorten.

foto: Hugo WillocxIn de winter zoeken vleermuizen hun overwinteringsplaats op. Voor sommige soorten is dat een holle boom of een huis, maar de meeste - en vaak bedreigde - soorten overwinteren bij voorkeur op een plek met een stabiel en vochtig klimaat. Forten, bunkers, groeven of ijskelders zijn hierbij erg in trek. En net deze (vaak ondergrondse) slaapplaatsen worden jaarlijks door de Vleermuizenwerkgroep gecontroleerd op de aanwezigheid van vleermuizen.

Momenteel werden in Vlaanderen 2.304 mogelijke overwinteringsplaatsen (of 'hibernacula') in kaart gebracht. Jaarlijks worden enkele honderden van deze hibernacula op de aanwezigheid van vleermuizen gecontroleerd. Belangrijke locaties worden elk jaar opgevolgd, plaatsen met minder vleermuizen vaak met een tussenperiode van één of meerdere winters.

Tijdens deze controlerondes (waarbij alle exemplaren worden geteld en - indien mogelijk - op soort worden gebracht) worden de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om te vermijden dat de vleermuizen uit hun winterslaap zouden ontwaken. Een vleermuis die ontwaakt (bv. doordat de omgevingstemperatuur minimaal stijgt door de lichaamstemperatuur van de aanwezige tellers), moet immers onnodig gebruik maken van haar opgebouwde vetreserves, waardoor ze mogelijk de winter niet overleeft.

Resultaten tellingen

In de winter van 2010-2011 werden 596 tellingen uitgevoerd (in 526 verschillende objecten). Hierbij werden 9.917 dieren geteld, verdeeld over 13 soorten. Onderstaand lijstje geeft een overzicht van de telresultaten van de winter van 2010-2011.

De hoogste aantallen werden geteld in de provincie Antwerpen (4.157 ex.), gevolgd door Limburg (2.742 ex.), Oost-Vlaanderen (1.813 ex.), West-Vlaanderen (1.013 ex.) en Vlaams-Brabant (192 ex.). Antwerpen dankt haar koppositie aan de aanwezigheid van de fortengordels. Voor Limburg is de goede score vooral te danken aan de vele vleermuizen die jaarlijks overwinteren in de mergelgroeves.

De tellingen van winterverblijfplaatsen worden al uitgevoerd sinds de jaren '70. Op basis van deze lange tijdreeks kunnen een aantal voorzichtige conclusies worden getrokken. Voor vale vleermuis (Myotis myotis) en bechsteins vleermuis (Myotis bechsteini) kan vooralsnog geen trend worden bepaald omdat de gevonden aantallen van beide soorten te laag zijn. Grootoorvleermuizen zijn stabiel, watervleermuis (Myotis daubentonii) en meervleermuis (Myotis dasycneme) stijgen licht. Een sterkere stijging nemen we waar bij franjestaart (Myotis nattereri), Ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus) en baard/brandts vleermuis (Myotis mystacinus/brandtii).

Deze trends zijn gebaseerd op het aantal gevonden dieren tijdens de winterperiode. Dit zegt echter niet noodzakelijk iets over de populaties van de verschillende soorten. Zo kan het bv. zijn dat het aantal franjestaarten - die ook in bomen kunnen overwinteren - in de getelde plaatsen sterk stijgt omdat er steeds minder geschikte boomholtes zijn om in te overwinteren, of dat meer dieren de weg vinden naar meer geschikte en telbare slaapplaatsen. Grote voorzichtigheid bij de interpretatie is dus geboden... Bovendien is de trend erg afhankelijk van het referentiejaar, het startjaar 1990. Hoewel de trend voor de watervleermuizen t.o.v. het referentiejaar 1990 een sterke stijging vertoont, zijn de aantallen de laatste zeven jaar toch gedaald. Indien 2005 als referentiejaar zou worden aangehouden, blijkt de trend sterk dalend te zijn...

Meer info op Natuurbericht.be