Hommelweekend - Soorten

De hommels zijn onze grootste wilde bijen, zoemend vliegen ze rond en heb je ze ongetwijfeld al gezien. Maar wist je dat we in België ooit maar liefst 30 verschillende soorten hadden? Een deel daarvan zijn jammer genoeg sterk bedreigd of uitgestorven. Hieronder beschrijven we de meest algemene soorten die je bij jou in de buurt zeker kan tegenkomen.

Hommelsoorten herkennen begint met kleuren tellen. De meeste hommels kunnen namelijk redelijk makkelijk onderscheiden worden aan de hand van het kleurenpatroon op hun borststuk en achterlichaam. Maar ook de kop kan je wat vertellen. Sommige soorten hebben namelijk een korte of net weer een lange kop. Bovendien hebben heel wat mannetjes een toefje lichte haren op de kop, want ook dat geldt weer: mannetjes en vrouwtjes zien er bij de hommels net een tikkeltje anders uit. Als je een hommel stuifmeel ziet verzamelen mag je alvast zeker zijn dat het een vrouwtje is, zij doen immers het meeste werk. Mannetje verzamelen geen nectar.

Wat oudere exemplaren kunnen door slijtage haren verliezen of de kleur van de haren kan bleker worden. Hierdoor kunnen sommige dieren wat moeilijker op naam te brengen zijn. Je begint dus best aan het herkennen van hommels bij een exemplaar waar de kleuren nog mooi en helder zijn.

Hommels zijn helemaal niet agressief waardoor je ze langdurig van dichtbij kan bestuderen zonder schrik te hebben om gestoken te worden. Daardoor kan je ze ook makkelijk fotograferen: een foto vanuit een zijdelings perspectief is daarbij het handigst om de  verschillende kleuren en andere eigenschappen goed te zien. Met je gsm kan je zelfs gebruik maken van de app ObsIdentify die soorten vanaf een foto kan herkennen. Als je gestructureerd je observaties van hommels met ons wilt delen kan dat via de website www.waarnemingen.be, we helpen je graag op weg.


Weidehommel (Bombus pratorum)

Deze kleine hommel draagt zijn Belgische tricolore met trots. Gele en zwarte banden wisselen elkaar af en als kers op de taart heeft de Weidehommel een feloranje kontje. De gele band op het tweede tergiet van het achterlichaam is vaak sterk gereduceerd of afwezig.

Mannetjes van deze soort zijn zeer variabel. Zo hebben ze steeds gele beharing bovenaan de kop en meestal ook op het gezicht. De meeste mannetjes hebben veel geel op hun lichaam. Onder andere op de achterrand van het borststuk en de basis van het achterlichaam, naast de gele kraag en de oranje achterlijfspunt. Andere mannetjes kunnen lijken op de mannetjes van de Steenhommel als de gele beharing heel beperkt is en ze enkel een gele band vooraan het borststuk en een oranje behaarde punt hebben. De oranje behaarde punt is echter minder uitgebreid dan die bij de Steenhommel.

De Weidehommel is een zeer algemene tuinsoort die gek is op longkruid, bramen en framboos. Nesten worden zowel op als onder de grond gemaakt. Je vindt ze vaak terug in composthopen en vogelnestkastjes. De kolonies zijn eerder bescheiden, met 50 tot 200 werksters. De Weidehommel heet in het Engels ‘Early bumblebee’ omdat ze al heel vroeg in het voorjaar actief wordt en de nieuwe koninginnen al aan het begin van de zomer geboren worden. Soms slaagt deze soort er in om 2 generaties na elkaar groot te brengen.

Koningin WeidehommelWeidehommel mannetje


Steenhommel (Bombus lapidarius)

Steenhommels zijn volledig zwart en hebben een oranje-rood kontje. Ze kunnen verward worden met de Weidehommel, de Grashommel en de Rode koekoekshommel. Weidehommels hebben echter een gele band vooraan het borststuk. De Grashommel is moeilijker te onderscheiden van de Steenhommel. Wanneer de korfjesharen op de achterpoten dezelfde kleur hebben als het kontje, gaat het om een Grashommel. Zijn deze zwart, dan is het een Steenhommel. Daarnaast is de Grashommel kleiner en wolliger behaard. De Rode koekoekshommel is iets groter dan de Steenhommel, heeft donkere vleugels en een grote vierkante kop. Steenhommel vrouwtjes hebben een typisch fluwelen beharing. De Grashommel komt bij ons enkel voor in de polders, de kustregio en de Kalmthoutse heide. De Rode koekoekshommel kan overal voorkomen, maar is een stuk zeldzamer. 

Mannetjes hebben naast het oranje-rood kontje ook gele beharing op het gezicht en de bovenkant van de kop en een gele band op de voorkant van het borststuk. Ze kunnen lijken op een kleurvorm van de mannetjes van de Weidehommel waarbij het geel op het borststuk en het achterlichaam sterk gereduceerd is. De mannetjes van de Steenhommel hebben echter een breder oranje behaard kontje.

De Steenhommel is een algemene tuinsoort. Ze is gek op witte klaver, gewone rolklaver, knoopkruid,... Koninginnen vind je dan weer regelmatig op koolzaad, wilgen en paardenbloem. Nesten worden zowel op als onder de grond gemaakt. Je vindt ze vaak terug onder stenen, in oude muizennesten, nestkastjes en in spouwmuren. De kolonies zijn middelgroot met 100-300  werksters. Steenhommels vind je vaak terug in open landschappen.

Steenhommel werksterSteenhommel mannetje




Grashommel (Bombus ruderarius)

Deze soort lijkt erg goed op Steenhommels maar ze zijn een stuk zeldzamer. De vrouwtjes van de grashommel zijn zwart gekleurd met rode beharing op het einde van het achterlichaam én enkele lange rode haren op de achterpoten. Soms hebben vrouwelijke exemplaren ook bleke banden haren op borststuk en achterlichaam. Een bijkomend kenmerk zijn de ruwere haren van ongelijke lengte op het borststuk. De mannetjes lijken op mannetjes steenhommel maar mannetjes hebben blekere banden haren op het borststuk, achterlichaam en ontbreken het toefje gele beharing op de voorkant van de kop.

De Grashommel komt bij ons enkel voor in de polders, de kustregio en de Kalmthoutse heide. De naam verklapt al dat het een specialist van graslanden is met een grote voorkeur tot bloemrijke graslanden op kleibodems. Overblijvende populaties zoeken vooral hun toevlucht in bermen, slootranden en dijken waar het uitmaaien van de bovengrondse nesten een actuele bedreiging vormt. 

Het bloembezoek gebeurt vooral op lip- en vlinderbloemigen zoals gewone rolklaver, witte dovenetel, veldlathyrus, rode klaver. Ook andere planten zoals smeerwortel zijn van grote voedselwaarde. Mannelijke exemplaren zijn minder selectief en eerder te vinden op bloemen met een kortere bloembuis zoals witte klaver en diverse distels.

Grashommel - vrouwGrashommel - man

 

Akkerhommel (Bombus pascuorum)

Akkerhommels zijn buitenbeentjes die geen gekleurde haarbanden hebben, maar volledig oranje-bruin behaard zijn met enkele zwarte haren tot zwarte banden tussendoor. Ze zijn echter erg variabel omdat er heel wat verschillende kleurvormen bestaan. De zijkanten van het borststuk is altijd grijzig behaard, terwijl het kontje steeds donker oranje-bruin gekleurd is. 

De Akkerhommel is, ondanks haar verwarrende naam, een algemene tuinsoort. Het is zelfs een van onze algemeenste hommelsoorten. Door de zeer lange tong kan je ze op alle mogelijke types bloemen terugvinden. De kleinste werksters vliegen vaak op kleine bloemen zoals Fluitenkruid, Kleine veldkers, Look-zonder-look,... Koninginnen en werksters hebben een sterke voorkeur voor vlinderbloemigen als Rode klaver, Gewone rolklaver en Tuinbonen en lipbloemigen zoals Witte of Paarse dovenetel. Daarnaast vind je ze ook vaak terug op Vingerhoedskruid en Gewone smeerwortel. Nesten worden zowel op als onder de grond gemaakt. Je vindt ze vaak terug in graspollen of in mos, in oude muizennesten en in schuurtjes. De kolonies zijn eerder klein met 50-150 werksters.

De akkerhommel heeft een bijzondere fenologie. Ze is immers één van de eerste hommelsoorten die in de lente actief is (begin maart) en haar kolonies houden stand tot laat in het seizoen (begin november). Elke kolonie produceert gedurende het grootste deel van de cyclus grote aantallen jonge koninginnen en mannetjes.


Akkerhommel werksterAkkerhommel vrouwtje - variatie


Aardhommel-groep (Bombus terrestris, B. lucorum, B. cryptarum, B. magnus)

Omdat de vrouwtjes van de Aardhommel, Veldhommel, Wilgenhommel en Grote veldhommel op het eerste zicht allemaal hetzelfde kleurenpatroon hebben, zijn ze nagenoeg niet van elkaar te onderscheiden. Je herkent ze aan een borststuk met een gele kraag dat verder volledig zwart behaard is. Het achterlijf is dan weer zwart-geel-zwart-wit gekleurd. We spreken dan ook van de ‘Aardhommel-groep’ wanneer het een hommel met dit uitzicht betreft. 

Mannetjes van de Veldhommel en de Grote veldhommels hebben een gele beharing op de kop. Bij Veldhommel mannetjes is de gele band op het achterlichaam veel breder dan bij de vrouwtjes. Er bestaat ook een kleurvorm waarbij weinig tot geen zwarte haren te zien zijn en de hommels bijna volledig geel zijn met een wit kontje. De mannetjes van de andere soorten zien er hetzelfde uit als de vrouwtjes.

Aardhommel-groep vrouwtjeVeldhommel mannetje


Boomhommel (Bombus hypnorum)

Een erg mooie hommelsoort die redelijk makkelijk te herkennen is aan de combinatie van het bruine borststuk en de witte haren op het kontje. Enkele kleurvormen van de akkerhommel kunnen echter voor verwarring zorgen. Zijn de haren op het kontje niet wit, dan is je boomhommel waarschijnlijk een akkerhommel.

De mannetjes zien er helemaal hetzelfde uit als de vrouwtjes, maar hebben bovendien bruine beharing op de kop en op het eerste achterlijfssegment. De Boomhommel lijkt sterk aangetrokken tot menselijke habitats. Het is dan een ook soort die vaak in parken en tuinen aangetroffen wordt. De boomhommel heeft een eerder korte tong, waarmee onder meer distels, wilgenroosje, aalbes en braam worden bezocht. In tegenstelling tot de meeste andere soorten maken deze hommels hun nest liever boven de grond, meer bepaald in boomholtes, vogelnestkastjes of spouwmuren. Daarom komen Boomhommels ook regelmatig voor in dichtere bossen. Boomhommels kunnen een stuk agressiever zijn dan de andere hommelsoorten wanneer het nest verstoord wordt. De kolonies zijn middelgroot en tellen 80 tot 400 werksters. 

Boomhommel werksterBoomhommel mannetje



Tuinhommel (Bombus hortorum)

De tuinhommel heeft een gele band vooraan en achteraan op  het borststuk en op het eerste achterlijfssegment. Ze heeft ook dezelfde witte banden op de laatste tergieten van het achterlichaam als de hommels van het Aardhommelgroep, maar deze soorten hebben geen gele band achteraan het borststuk. Het patroon komt volledig overeen met dat van een Veenhommel, maar Tuinhommels hebben een opvallend langgerekte kop, terwijl Veenhommels een zeer korte kop hebben. Mannelijke Veenhommels hebben gele haren op hun kop, terwijl mannelijke Tuinhommels dezelfde zwarte beharing hebben als de vrouwtjes.

De Tuinhommel lijkt een voorkeur te hebben voor vochtige biotopen, maar wordt ook vaak in parken en tuinen aangetroffen. De tuinhommel heeft een extreem lange tong, waardoor deze soort onder meer op wilde kamperfoelie, dovenetels en vingerhoedskruid foerageert. Ook rode klaver en gele lis worden vaak bezocht. Nesten worden net op of net onder de grond gemaakt, vaak in oude muizennesten. De kolonies zijn eerder klein, met 50-120 werksters. De soort lijkt lichtjes achteruit te gaan.

Tuinhommel vrouwtjetuinhommel mannetje


Koekoekshommels

Een aparte groep binnen de hommels zijn de koekoekshommels, deze soorten onderscheiden zich door hun aparte levenswijze. De koninginnen van deze hommels maken geen eigen nest maar nemen een bestaand nest van een andere soort over door binnen te dringen en de heersende koningin uit de weg te ruimen. Hierna zullen de aanwezige werksters de volgende generatie van de nieuwe koningin grootbrengen. Door deze levenswijze spreken we niet van werksters en koninginnen van deze soorten hommels. De vrouwtjes verzamelen nooit zelf stuifmeel en zijn uitgerust met een steviger pantser en een sterke angel.


Rode koekoekshommel (Bombus rupestris)

Deze soort zou omwille van zijn patroon met de Steenhommel verward kunnen worden. Dat is dan ook niet toevallig de soort waarop de Rode koekoekshommel het gemunt heeft. De donkere vleugels geven echter weg dat het toch om een andere soort gaat. Verder heeft deze soort geen korfjes op de achterpoten om stuifmeel te verzamelen en is ze een beetje groter dan de Steenhommel. Hoewel zijn gastheer heel algemeen is, is deze soort zeldzaam en dus niet makkelijk te vinden.

Mannetjes kunnen volledig hetzelfde zijn als de vrouwtjes, maar kunnen ook meer geel-grijze, verspreidde, beharing hebben.

Rode koekoekshommel vrouwtjeRode koekoekshommel mannetje

Gewone koekoekshommel (Bombus campestris)

De meeste koekoekshommels lijken hard op elkaar, maar deze soort is redelijk makkelijk te onderscheiden van de andere soorten. Vrouwtjes hebben een gele band vooraan en achteraan het borststuk. Vooral het achterlijf is typerend. Het begin van het achterlijf is spaarzaam behaard en glimmend, terwijl er gele haren op de zijkant van de laatste twee segmenten staan met zwarte haren in het midden.

Mannetjes zijn wat moeilijker te herkennen en zijn zeer variabel.

Gewone koekoekshommel vrouwtje
 

Grote koekoekshommel (Bombus vestalis)

Deze wollige, dicht behaarde koekoekshommel, heeft haar naam niet gestolen. In vergelijking met andere koekoekshommels is deze vrij groot. Ze hebben een diepzwarte, keurige lichaamstooi met een smalle gele kraag die verspreide zwarte haren bevat, en een witte staart die gele zijvlekken heeft die uit tergiet 3 komen. Deze vlekken zijn helder zwavelgeel bij verse exemplaren maar hebben de neiging te verbleken naarmate ze ouder worden en ook de kraag kan na verloop van tijd verbleken tot licht strogeel. De punt van het achterlijf (segment 5) is zwart behaard. Deze koekoekshommel lijkt zeer sterk op de Tweekleurige koekoekshommel (B. bohemicus), die iets kleiner en pluiziger is, heeft een bredere en blekere kraag zonder zwarte haren, en de gele zijvlekken op tergiet 3 zijn veel bleker.

Maar je moet dus voorzichtig zijn, want oude verbleekte exemplaren van de Grote koekoekshommel kunnen dus lijken op een grote Tweekleurige koekoekshommel.

De kleinere mannetjes zijn eerder langwerpige, slanke bijen met veel langere antennes dan de vrouwtjes. Ze hebben hetzelfde patroon als het vrouwtje, maar hebben gewoonlijk een zwakke gele haarband over tergiet 1, hoewel het scutellum gewoonlijk zwart behaard blijft.  De mannetjes zijn in het veld niet te onderscheiden van de mannnetjes van de Tweekleurige koekoekshommel.

De vrouwtjes komen meestal vanaf half maart tevoorschijn en zijn een vertrouwd beeld op wilgen, Witte dovenetel, Hondsdraf en Paardenbloemen.
Ze parasiteren op Aardhommels en zullen dus ook laag over de grond vliegen op zoek naar nesten van hun gastheer. De mannetjes zal je vooral in de zomer aantreffen op typische hommel bloemen zoals lavendel, distels, bramen, knoopkruid, …
 
Grote koekoekshommel - vrouw

Vierkleurige koekoekshommel (Bombus sylvestris)

Een van onze algemeenste koekoekshommels, ze is een parasiet van Weidehommel, maar ook Veenhommel.
Vrouwtjes zijn relatief klein en donzig, hebben een brede gele kraag, een geheel zwart behaard scutellum en een onduidelijke gele band op tergiet 1. De staart is meestal zuiver wit (soms gelig) en de achterlijfspunt is sterk naar beneden gebogen. De mannetjes zijn tamelijk variabel in voorkomen. De typische vorm heeft hetzelfde patroon als het vrouwtje, maar de punt van de witte staart is eerst zwart en dan rood (of soms volledig zwart aan de punt). Zeker zijn we pas na het onderzoeken van het geslachtsorgaan.

De Vierkleurige koekoekshommel komt in verschillende habitats voor, maar is de meest frequente koekoekshommel in bosgebieden. De mannetjes patrouilleren vaak langs zonnige bosranden. Overwinterende  vrouwtjes verschijnen gewoonlijk in april en de nieuwe generatie kan al in juni zichtbaar zijn, omdat de gastheren er soms in slagen 2 generaties voort te brengen. Nieuwe vrouwtjes, geproduceerd door de tweede generatie, kunnen dan in het begin van de herfst worden waargenomen op bloemen zoals Blauwe knoop en klimop.

Vierkleurige koekoekshommel - vrouw




Alle illustraties ©Chantal Deschepper
 

TOP