Kesselberg

De Kesselberg, een interessant lappendeken van biotopen

De Kesselberg is één van de Hagelandse Heuvels, en vormt een karakteristieke heuvel ten Noorden van Leuven. Zowel geologisch, archeologisch, landschappelijk als ecologisch is ze van belang.

 

Inleiding: ontstaan van de Kessel-berg

Het klassieke zandbankenmodel van prof. Guldentops (1957) ging ervan uit dat de Hagelandse heuvels ontstonden als kustparallelle zandbanken in de Diestiaanzee. Bij terugtrekking van die zee zou ijzerhydroxide uit glauconiet neergeslagen zijn tussen de zandkorrels ter hoogte van grondwatertafel, waardoor bovenop de zandbanken een harde ijzerzandsteenlaag ontstond. Door riviererosie zouden de geulen tussen de zandbanken verder geërodeerd zijn waardoor de Hagelandse getuigenheuvels, zoals de Kesselberg, ontstonden.

Het ontstaansverhaal van de Kesselberg en de andere Hagelandse heuvels blijkt echter complexer, en wordt uitgewerkt in het model van de Hagelandse Golf van 2014 door Noël VDB en collega’s.

In dit model begint het verhaal 10 tot 12 miljoen jaar geleden, met een vlak en laaggelegen land. Door een scheur in de aardkorst ontstond in het oosten de Rijnvallei, waarheen ook de “Hagelandse Rivier” afvloeide. Die Hagelandse Rivier schuurde zo een vallei van meer dan 100m diep uit.

Door een zeespiegelstijging werd dit rivierdal vanuit het noordwesten overspoeld door de zee, die de zo ontstane “Hagelandse Golf” al vlug opvulde met glauconiethoudend zand.

Door een kanteling van het landoppervlak zo’n 8 miljoen jaar (met een daling van het huidige Nederland en opheffing van de huidige Ardennen) vinden we nu de hoogste getuigenheuvels terug in het zuiden (Pellenberg), en de laagste in het noorden (Averbode).

Bij de bodemvorming losten de glauconietkorrels in het zand op tot o.a. ijzerhydroxiden, die neersloegen ter hoogte van de grondwatertafel. Daar vormden ze limonietcement, die samen met de zandkorrels lagen van ijzerzandsteen vormden.

Vanaf zo’n 700.000 jaar geleden, tijdens de ijstijden, maar vooral tijdens de tussenijstijden waarbij de ijskappen gingen smelten en woeste rivieren vormden, hebben deze rivieren diepe dalen ingesneden in de zandlaag. De dikste ijzerzandsteenbanken boden echter weerstand, waar de Hagelandse getuigenheuvels ontstonden met bovenaan een ijzerzandsteenlaag.

 

Bodemstructuur & waterhuishouding

In tegenstelling tot het Brabants leemplateau ten zuiden van Leuven – met een dikke leemlaag – bestaat de bodem van de getuigenheuvels, zoals de Kesselberg, uit een dikke zandlaag, met – meestal bovenaan – een ijzerzandsteenlaag die kan variëren in dikte.

Zand is voedselarm en waterdoorlatend. Ijzerzandsteen daarentegen is echter weinig waterdoorlatend.

Dit heeft als gevolg dat de Kesselberg gekenmerkt wordt door vooral droge zandige bodem. Waar de ijzerzandsteenlaag – al dan niet onder een laagje zand of leem - een komvorm heeft, ontstaat echter een plaats waar het water blijft staan, met als gevolg “waterlenzen”.

De ondoordringbare ijzerzandsteenlagen zorgen er ook voor dat water via die lagen naar de randen van de Kesselberg wordt afgevoerd en op de hellingen aan de oppervlakte komt. Zo zijn er op de noordwestelijke helling vochtiger stukken, waar Koninginnekruid of Leverkruid groeit. Dit is een belangrijke waardplant (plant waarop de vlinder haar eitjes afzet, en waarvan de rupsen eten) voor één van de Leuvense koesterburen, de Spaanse vlag.

De Kesselberg heeft echter ook een belangrijke invloed op de waterhuishouding van de omliggende gebieden. Zo wordt de roestkleur in het kwelwater in het natuurgebiedje Lovenaerenbroek, gelegen in het Provinciaal Domein Kessel-Lo, veroorzaakt door de ijzerzandsteen van de Kesselberg.

 

Geschiedenis van het bodemgebruik

Tot kort na WO II bestond de Kesselberg uit een landschap met een lappendeken van verschillende biotopen: een combinatie van bos, hakhoutbosjes, schraal grasland en kleinschalig akkerland.

Vooral de stukken waar de ijzerzandsteen tot (bijna) aan de oppervlakte kwam, waren ongeschikt voor landbouw, en bleven vaak bos. Nu zijn er op de Kesselberg nog enkele percelen bos terug te vinden die sedert de Ferrariskaarten (1771-1778) ononderbroken bos gebleven zijn.

Hakhoutbosjes, die om de 5 tot 15 jaar tot tegen de grond werden afgezaagd tot de “stoven” (= stronken), zorgden o.a. voor brandhout voor de broodovens, alsook gereedschapshout.

De combinatie van een zandige bodem en zonnige hellingen maakten bepaalde stukken wel geschikt voor vroege teelten, waarbij in Leuven de “vroege aardappelen” van de Kesselberg welbekend waren. 

Die landbouw kan echter niet vergeleken worden met de huidige landbouwmethoden, en bestond eerder uit kleine akkers die maar licht bewerkt werden, en schrale graslanden.

Na WO II hield de landbouw op, en werd de Kesselberg deels een motorcrossterrein (zie op VRT NU voor o.a. BRT-reportages van toen), waar op de minder betreden plaatsen heidevegetatie een plek vond. Andere stukken werden gebruikt als monotone hout”plantages”. Daarvan is het Begijnenbos, met de aanplant van Grove den, nog een restant.

Nadat de Kesselberg in 1973 werd geklasseerd als landschap, werden de motorcross-activiteiten stopgezet. Al snel ontstond op vele plaatsen spontane verbossing, met achteruitgang van de heischrale graslanden en de heide.

Ondertussen heeft de Stad Leuven ca. 13 ha in eigendom, en wordt dit stuk beheerd door de Groendienst van Leuven. Het huidige beheer is gericht op een divers natuurlandschap, en daarmee een gedeeltelijke terugkeer naar het diverse landschap van voor WO II, bestaande uit gemengd loofbos, zoomvegetaties door hakhoutbeheer, heischraal grasland en heide.

De Kesselberg biedt met haar diversiteit aan bodems (een dikke laag zand, of een dunne laag zand boven een ijzerzandsteenlaag, of een leemlaag bovenop het zand) en haar verschillende hellingen (noord-, west- of zuidgericht) een diversiteit aan biotopen die elk voor andere planten en dieren interessant zijn.

 

Huidige biotopen

Bos in vele variaties

Op de Kesselberg staan nog 2 percelen bos die al sedert de opmaak van de Ferrariskaart (1771-1778) ononderbroken bos zijn. Het gaat om zuurminnend eikenbos, met o.a. Zomereik, Wintereik, Zachte en Ruwe berk, Wilde lijsterbes en Zoete kers.

In de onderbegroeiing wordt o.a. Blauwe bosbes, Salomonszegel, Hengel, Lelietje-van-dalen, Dalkruid, Ruige veldbies, Bosanemoon en Gewone agrimonie gevonden. Het feit dat er enkele “tapijten” van bosanemoon te vinden zijn – wat zeer uitzonderlijk is in een zuurminnend bos – wijst op de zeer oude leeftijd van bepaalde stukjes van dit oudboscomplex.

Bepaalde stukken van het huidige bos zijn echter van veel recentere datum, en pas na WO II – gedeeltelijk spontaan – ontstaan.

Zo zijn bepaalde stukken op de (zuid-)westelijke helling waarschijnlijk ontstaan uit houtkanten die er al lang voor WO II stonden, aangezien er ook typische bosvegetatie terug te vinden is die wijst op een ouder bos. Hier zijn vooral Zomereik, Sporkehout, Lijsterbes en Zoete kers te vinden. In de onderbegroeiing zijn o.a. Lelietje-van-dalen en Adelaarsvaren te vinden.

Op het colluvium (door erosie afgespoeld bodemmateriaal) aan de voet van de berg is ook een klein stukje Iepen-Essenbos terug te vinden, wat uniek is in Vlaanderen, aangezien dergelijk bos maar weinig te vinden is op colluvium, maar eerder op alluvium (= door water afgezette bodem).

Typische bomen zijn hier Gewone es, Ruwe Iep & Zomereik, maar deze worden wel “belaagd” door Robinia, Amerikaanse vogelkers & Tamme kastanje. In de onderbegroeiing zijn veel Vingerhelmbloem of Voorjaarshelmbloem, Klimopereprijs, Speenkruid, Vogelmelk, Look-zonder-look & Maarts viooltje te vinden.

 

Boszoomvegetatie en hakhout

Op enkele plaatsen wordt door hakhoutbeheer gezorgd voor een lichtminnende mantel-zoomvegetatie tussen het eigenlijke bos en meer open terrein, waar o.a. Echte guldenroede, Hengel en diverse havikskruiden kunnen groeien.

Dit is ook een geliefde opwarmingsplaats voor één van onze koesterburen, de Hazelworm. Geen slang - zoals velen denken - maar een pootloze hagedis die vooral ’s nachts jaagt op slakken, wormen en andere kruipende dieren, en overdag graag opwarmt in de zon.

 

Heischrale graslanden en heide

Sommige stukjes van de Kesselberg werden voor WO II al gebruikt als grasland. Het gaat hier om historisch permanente graslanden die al lang niet meer geploegd (en bemest) zijn. Dit is zeldzaam in Vlaanderen, waar na WOII ongeveer alles werd omgeploegd en bemest waar men met een tractor op kon.

Deze graslanden bieden o.a. een biotoop voor wasplaten, de “orchideeën onder de paddestoelen”. Zwartwordende wasplaat, Sneeuwzwammetje, Vuurzwammetje en meerdere andere soorten zijn er nog te vinden.

Door de arme zandbodem gaat het hier ook om heischrale graslanden, met weinig voorkomende grassoorten zoals Borstelgras, Tandjesgras, Pijpenstrootje, en diverse struisgrassoorten. Ook Schapenzuring, Knoopkruid, Grote tijm, Grasklokje, Zandblauwtje en hier en daar wat Struikheide zijn er terug te vinden.
Dergelijke heischrale graslanden bieden ook een biotoop voor specifieke dieren, zoals de Veldkrekel, één van de Leuvense koestersoorten. Deze krekelsoort kan niet vliegen (waardoor ze hun gebied moeilijk kunnen uitbreiden) en is heel gevoelig aan verstoring, waardoor ze zeer kwetsbaar is.

Ook enkele typische vlindersoorten, zoals Geelsprietdikkopje, Zwartsprietdikkopje en Hooibeestje, worden hier gezien.

Op bepaalde stukjes van de Kesselberg is nog typische heidevegetatie terug te vinden, met Struikheide, Brem, Muizenoortje,…

 

Bedreigingen

Het beheer door de Groendienst van de Stad Leuven is gericht op een gevarieerd landschap waar een diversiteit aan planten en dieren een thuis vinden.

Dit beheer is echter niet evident.

Het gaat hier vooreerst om een landschap dat grotendeels afhankelijk is van een “schrale” bodem, waardoor eutrofiëring door stikstof moet vermeden worden. Als je weet dat in Vlaanderen gemiddeld 25kg/ha/jaar stikstof “gewoon” uit de lucht komt vallen (“stikstofdepositie”), en droge heide en heischrale graslanden maximum 11kg/ha/jaar verdragen, dan vraagt het beheer heel wat inspanning, gericht op verschraling door maaien en/of begrazing.

De bossen worden ook sterk bedreigd door enkele invasieve soorten, zoals Amerikaanse eik, Amerikaanse volgelkers, Robinia en Tamme kastanje, die regelmatig moeten verwijderd worden. Dit niet alleen om de andere bomen een kans te geven, maar ook om te vermijden dat de belangrijke onderbegroeiing verdrongen raakt door ondergroei van de scheuten van de invasieve soorten.

Buiten het door de Groendienst beheerde gebied vormen ook weekendhuisjes nog steeds een bedreiging voor het landschap, en zorgen ze voor versnippering van populaties.

Daarnaast is de Kesselberg een populaire bestemming voor heel wat Leuvenaars, wat zorgt voor een grote recreatiedruk. Zeker als iedereen overal doorheen gaat lopen.

Je kunt dus jouw stukje bijdragen aan het beheer van de Kesselberg door bij jouw bezoek op de paden te blijven, de hond aan de leiband te houden, en voor de rest ten volle te genieten van zowel de flora en fauna als de panoramische uitzichten.

 

TOP