Sinds 2016 loopt, in opdracht van de Vlaamse overheid (ANB & INBO), het soortenmeetnettenproject. Natuurpunt Studie coördineert het veldwerk dat door vrijwilligers gebeurt, het INBO zorgt voor de analyses. Jaarlijks verschijnt er een resultatenrapport waar telkens één soortgroep onder de loep genomen wordt. Na de libellen, de dagvlinders en de planten, was het nu de beurt aan de amfibieën, meer bepaald voor de periode van 2016 tot en met 2024.
Voor de meetnetten van de heikikker en de poelkikker is het nog te vroeg om een trend te bepalen doordat deze meetnetten pas in 2021 opgestart zijn, in een driejarige cyclus. In de periode 2021-2023 zijn we op alle tellocaties een eerste keer geweest. Pas op het einde van 2026 hebben we voor alle tellocaties een tweede teljaar om mee te vergelijken en een eerste trend te bepalen.
Voor de andere zes soorten is er ondertussen wel voldoende data om trends te bepalen (Figuur 1). Rugstreeppad, boomkikker en kamsalamander worden ook in een driejarige cyclus opgevolgd. Vroedmeesterpad, vuursalamander en knoflookpad worden jaarlijks opgevolgd, wat maakt dat we voor deze soorten al data hebben van respectievelijk 6, 9 en 6 jaar, afhankelijk van wanneer het meetnet gestart is.
Positieve trends voor vroedmeesterpad, vuursalamander en boomkikker
Het meest opvallende resultaat is de sterk positieve trend van de vroedmeesterpad. Voor de vroedmeesterpad is dit succes grotendeels te danken aan het kweekprogramma dat lopende is en waarbij dus gekweekte dieren worden uitgezet in bestaande populaties. Dit lijkt een aanzienlijk duwtje in de rug te zijn voor de verschillende populaties. Maar het is afwachten hoe de populaties het er vanaf brengen wanneer de inbreng van gekweekte dieren is gestopt. Pas na enkele generaties zal dit duidelijk worden. Ten opzichte van het referentiejaar 2019 spreken we over een trend van +369% ofwel een gemiddelde jaarlijkse trend van +35,8% (Figuur 1). Een sterke toename.
Ook de vuursalamander kent een mooie toename over de negen teljaren heen. Mogelijk spelen gunstige weersomstandigheden, in de vorm van natte periodes in het najaar, in de voorbije jaren hier een rol, maar er wordt ook rekening gehouden met de groeiende ervaring van de tellers die jaar na jaar beter in de vingers krijgen wanneer de echt goede telmomenten eraan komen. Ten opzichte van het referentiejaar 2016 spreken we over een trend van +86,6% ofwel een gemiddelde jaarlijkse trend van +8% (Figuur 1).
Van de boomkikker weten we dat de soort de laatste jaren enorme stappen zet qua verspreidingsgebied in Vlaanderen. Dankzij het meetnet kunnen we nu ook stellen dat er een algemeen positieve trend is binnen de populaties. We volgen de soort ondertussen al drie driejarige cyclussen op op 60 locaties in Vlaanderen. Ten opzichte van de referentiecyclus 2016-2018 spreken we over een trend van +55,4% ofwel een gemiddelde jaarlijkse trend van +5% (Figuur 1).
Onzekere trends voor rugstreeppad, kamsalamander en knoflookpad
Voor de rugstreeppad werd een gemiddelde jaarlijkse trend in aantal roepende mannetjes berekend van 20%, met een 90% betrouwbaarheidsinterval tussen ‐1% en +44% (gezien 0% binnen het betrouwbaarheidsinterval valt, kunnen we niet spreken van een toename). We spreken daarom van een ‘mogelijke toename’. Van deze pioniersoort weten we dat de aantallen van nature sterk kunnen schommelen op basis van de weersomstandigheden en de beschikbare tijdelijke voortplantingswateren. De meeste locaties werden binnen het meetnettenproject ook nog maar in twee cyclussen geteld, wat het bepalen van een betrouwbare trend sowieso moeilijk maakt.
Met een gemiddelde jaarlijkse trend van +1% en een betrouwbaarheidsinterval tussen -8% en +11% (dus binnen drempelwaarden -25% en +33% voor afname en toename), kennen we voor de kamsalamander de trend nog niet en blijft deze benoemd als ‘onbekend’. Ook voor deze soort werden er nog maar twee telcyclussen afgewerkt en is blijven tellen dus de boodschap.
De slechtste leerling van de klas blijft de knoflookpad. Van de acht waterlichamen waarmee we dit meetnet in 2017 zijn gestart, werden er in 2024 nog roepende dieren gevonden in twee ervan. Ook in 2025 leverde de monitoring van de meetnetlocaties, na vijf monitoringsnachten, slechts twee bewoonde waterpartijen op, beide in Peer. Door het beperkte aantal locaties en de schommelingen qua getelde aantallen doorheen de jaren, is de berekende trend voor deze soort ‘onbekend’. Binnen het betrouwbaarheidsinterval vallen zowel de positieve als de negatieve kant van de as. Maar in de praktijk weten we dat het vijf voor twaalf is. 2025 was dan ook nog eens een zeer slecht jaar qua getelde aantallen tijdens het meetnet, met slechts vijf roepende dieren in Peer.
Gelukkig zijn er naast de meetnetlocaties ook vier nieuwe populaties gesticht met behulp van het kweekprogramma. Doordat de uitzettingen hier nog aan de gang zijn, houden we de telresultaten op deze locaties voorlopig nog gescheiden van de meetnetlocaties omdat dit anders een te grote positieve impact zou hebben op de trend van de knoflookpad. Maar ook hier waren de telresultaten van 2025 zeer teleurstellend. Het wordt steeds duidelijker dat enkel met zeer soortgerichte inrichtingen en beheer er een toekomst is voor de knoflookpad in Vlaanderen.
Het belang van blijven meten
Voorlopig hebben we nog maar voor enkele soorten genoeg data in handen om een nauwkeurige trend te bepalen. Blijven tellen is dus de boodschap als we uitspraak willen doen over de trends die al deze soorten volgen. Zeker in ons huidige klimaat waarbij weersextremen elkaar in sneltempo opvolgen, zonder te weten welke impact dit juist heeft op de populaties. Daarbij komt nog dat we hier te maken hebben met langlevende soorten waarbij bepaalde effecten pas enkele jaren later zichtbaar zijn.
Tekst: Sam Van de Poel (Natuurpunt Studie), Jeroen Speybroeck, Loïc van Doorn & Toon Westra (INBO)
Ontvang nieuws over onze natuur en activiteiten rechtstreeks in je mailbox.
Abonneer je op onze nieuwsbrief