Afbeelding
Vroedmeesterpad
Loïc Van Doorn

Hoge genetische diversiteit van de vroedmeesterpad in Vlaanderen na vijf jaar kweek en uitzettingen

12 nov 2025
Categorieën
Natuurbericht

De genetische diversiteit van een populatie geeft aan hoe goed een populatie zich kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. Het vermogen om te veranderen is cruciaal om te overleven in ons landschap. Kleine populaties hebben doorgaans een erg lage genetische diversiteit, waardoor ze erg kwetsbaar zijn, zelfs als hun aantallen weer toenemen. De kans dat ze zich niet kunnen aanpassen blijft dan groot. Het verrijken van die genetische diversiteit kan daarom het laatste redmiddel zijn om te voorkomen dat een soort (lokaal) uitsterft.

Ook bij de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) vormt dat een belangrijk aandachtspunt. Na een alarmerende achteruitgang van vroedmeesterpad in Vlaanderen, krijgt de soort sinds 2021 een stevige duw in de rug dankzij een intensief kweek- en uitzetprogramma. De uitgezette dieren zijn afkomstig van zes regionale maar genetisch verschillende kweekgroepen, die bij het uitzetten met elkaar worden gemengd om de genetische diversiteit op te krikken en populaties weerbaarder te maken. Er werden al 40.387 jonge padden vrijgelaten op 31 locaties, verspreid over tien populaties. Bij vijf van deze populaties gaat het om bijplaatsingen om de bestaande populatie genetisch te verrijken. Voor de vijf andere populaties gaat het om herintroducties, op locaties waar de soort niet meer voorkwam. Uit de populatiemonitoring waar we vorig jaar over berichtten, blijkt dat het aantal vroedmeesterpadden in Vlaanderen intussen sterk is toegenomen. Dat toont ook de langjarige meetnettenmonitoring waarbij sinds 2019 alle toenmalig bekende Vlaamse populaties opgevolgd worden aan de hand van roepkoortellingen (Figuur 1). De jonge padden die in 2021 werden uitgezet zijn twee jaar later geslachtsrijp en roepen vanaf dan volop mee.

Afbeelding
Figuur vroedmeesterpad
INBO
Figuur 1: Jaarlijkse verschillen in aantal roepers t.o.v. referentiejaar (weergegeven in de figuur met R) met het 90% betrouwbaarheidsinterval.

Genetische monitoring

Om de startsituatie vast te leggen, werden voor de start van de uitzettingen heel wat binnen- en buitenlandse populaties genetisch bemonsterd. Hieruit bleek dat het gros van de Vlaamse populaties genetisch verarmd is. In 2024 volgde een bijkomende genetische monitoring voor vijf populaties. Eén populatie in Brussel en twee populaties in Tervuren werden bemonsterd om hun herkomst te bepalen. In Huldenberg werd een bijgeplaatste populatie herbemonsterd en in Overijse werd een geherintroduceerde populatie  genetisch onderzocht. 

Van de Brusselse populatie kon de herkomst niet met zekerheid worden vastgesteld. Omdat ze genetisch niet verwant is met de autochtone populaties rondom de hoofdstad gaat het vermoedelijk om uitgezette dieren. De populatie in het centrum van Tervuren blijkt verwant aan enkele populaties uit Wallonië en is dus vermoedelijk eveneens in het verleden uitgezet. De andere populatie in Tervuren leverde interessante resultaten op. Deze bevindt zich binnen de migratieafstand van een populatie waar de voorbije jaren genetisch diverse dieren werden bijgeplaatst. De analyse toonde dat het bleek te gaan om dieren uit verschillende herkomstgebieden, bekend van het kweekprogramma. Deze populatie lijkt dus op natuurlijke wijze gesticht door verbreiding vanuit de nabijgelegen populatie. De genetische diversiteit was opvallend hoog, wat waarschijnlijk het gevolg is van een menging van deze kweekgroepen.

De bestaande populatie in Huldenberg, waar genetisch verschillende dieren werden bijgeplaatst, liet veelbelovende resultaten zien. De genetische diversiteit nam er maar liefst tienvoudig toe. Ook in de geherintroduceerde populatie in Overijse werd een opvallend hoge genetische variatie vastgesteld. Bovendien toonden de analyses aan dat de nakomelingen van de uitgezette dieren genetisch vermengd waren.

We concluderen dat de genetische opvolging van zowel bestaande, nieuw bemonsterde als uitgezette populaties op een zeer gedetailleerde manier kan worden uitgevoerd en dat de eerste resultaten ten gevolge van het kweek- en uitzetprogramma veelbelovend zijn. De kweek en uitzet loopt nog minstens tot en met 2028. Genetische monitoring van alle Vlaamse populaties enkele generaties na afloop hiervan is nodig om de effecten ervan na te gaan.

Tekst: Loïc van Doorn, Jeroen Speybroeck, Io Deflem (INBO), Sam Van de Poel (Natuurpunt Studie)