Wat zijn overwinterende sluipwespen?
Sluipwespen (Ichneumonidae) behoren tot een grote familie van parasitaire wespen die vooral nachtvlinders als gastheer gebruiken. Net als bij hommels, hoornaars en sociale wespen overleven sommige bevruchte vrouwtjes de winter als volwassen dier. De voorbije jaren kregen deze ‘winterwespen’ al af en toe aandacht, maar een volledige checklist ontbrak tot nu. Die leemte is met deze nieuwe publicatie opgevuld: voor het eerst is er een complete catalogus die alle bekende overwinterende sluipwespen in Europa evalueert.
De juiste plek is cruciaal
Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer 340 soorten sluipwespen in West-Europa als imago (volwassen dier) overwinteren. Dat komt neer op circa 5% van alle bekende soorten, al ligt het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger. Van sommige groepen wordt vermoed dat overwintering zelfs een vast onderdeel van de levenscyclus is, al is dit nog niet bij alle soorten vastgesteld. Het merendeel van de sluipwespsoorten overwintert dus niet als volwassen dier, maar als (pre)pop in de pop of cocon van de gastheer (vaak een nachtvlinderrups).
Een belangrijk inzicht uit de studie is dat je niet zomaar kunt aannemen dat een soort overwintert op basis van de datum alleen. Dat blijkt namelijk misleidend: sommige soorten zijn het hele jaar actief of worden beïnvloed door menselijke omstandigheden, zoals de warmte binnenshuis. Daarom baseren de onderzoekers zich vooral op waarnemingen op of in echte overwinteringsplekken (hibernacula), zoals dode bomen, grotten, wortelkluiten of dichte vegetatie.
Eén enkele overwinteringslocatie kan tientallen tot zelfs honderden dieren herbergen. De studie toont dan ook aan hoe belangrijk het behoud van deze microhabitats is binnen het natuurbeheer om populaties overwinterende sluipwespen te ondersteunen. Zeker in kleine of geïsoleerde natuurgebieden kan dit een groot verschil maken.
Burgerwetenschap maakt het verschil
Voor dit overzicht werden vele waarnemingen nagekeken. Die waren afkomstig uit vier bronnen: wetenschappelijke publicaties (44%), waarnemingen via online burgerwetenschapsplatformen (34%) — waarbij zo’n 350.000 waarnemingen werden gevalideerd — museale en private collecties (3%) en ongepubliceerde gegevens van de auteurs zelf (19%).
Hoewel de literatuur een belangrijk deel van de data levert, zijn het vooral de recente waarnemingen van de auteurs alsook de burgerwetenschappers die het totaalbeeld sterk hebben verrijkt. België springt daarbij duidelijk in het oog. Bijna 1.900 van de in totaal ruim 7.400 gebruikte gegevens komen uit ons land. Daarmee laten we Nederland, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië ruim achter ons (allen rond de 800-900 observaties). Andere Europese landen halen hoogstens een paar honderd meldingen, wat ook wijst op de bijzonder sterke verankering van burgerwetenschappen in Noordwest-Europa.
Een vergeten Belgische traditie
Het historisch onderzoek bracht ook een verrassende vaststelling aan het licht: al in de 19de eeuw waren Belgische entomologen reeds actief op zoek naar overwinterende insecten. Eén van de vroegste meldingen komt van de Brusselaar Constantin Wesmael, die rond 1844 een sluipwesp beschreef die tussen wortels aan het overwinteren was.
Rond 1900 verschenen de beknopte maar soortenrijke werken van Fr. Athimus, leerkracht aan het internaat Johanninum te Grand-Halleux (Vielsalm). Kort daarna volgden meldingen van Joseph Bequaert, die later naar Amerika verhuisde en daar ook overleed. Net voor de Tweede Wereldoorlog verrichtte de internationaal erkende speleoloog Robert Leruth een inventarisatie van de volledige grottenfauna, maar hij zou reeds op 28-jarige leeftijd overlijden.
Daarna werden de meldingen sporadischer. Na de Tweede Wereldoorlog was er nog enige bedrijvigheid dankzij de activiteiten van de entomologen Leleup en Leclercq. In de laatste decennia van de 20ste eeuw volgden vervolgens meldingen van Karel Janssens en Yvan Barbier.
Elke winter nieuwe ontdekkingen
Ook vandaag blijven overwinterende sluipwespen onderzoekers en natuurliefhebbers verrassen. Elke winter duiken er nieuwe vondsten op: soms blijkt een bekende soort voor het eerst als imago te overwinteren, soms gaat het zelfs om een nieuwe soort voor het land. Waar in 2022 nog sprake was van een vijftigtal overwinterende soorten in België en Nederland, zijn dat er nu respectievelijk 76 en 77. Vooral grotere en opvallende soorten trekken de aandacht. Het vermelden waard zijn Diphyus castanopyga (een grottenspecialist), Diphyus salicatorius (parasiet van de Bonte grasuil; typisch voor de Kempen), Diphyus restitutor en Ichneumon cessator (vorige winter ontdekt in Kalmthout), Ichneumon amphibolus (een soort uit Wallonië) en Ulesta perspicua. Vlak over de grens, in Nederland, werd nabij Valkenburg Ichneumon languidus aangetroffen, de parasiet van de Bonte beer.
Er valt dus nog veel te ontdekken. Landen als Duitsland (210 soorten), Frankrijk (143 soorten) of Groot-Brittannië (112 soorten) zullen we waarschijnlijk nooit kunnen bijbenen vanwege hun omvang en landschappen, maar één ding is zeker: wie ’s winters goed kijkt, ontdekt een verborgen wereld van insecten die lang onopgemerkt bleef en blijft verbazen.
Tekst: Fons Verheyde (VLIZ, Aculea, vrijwilliger KBIN) & Augustijn De Ketelaere (Aculea, vrijwilliger KBIN)
Ontvang nieuws over onze natuur en activiteiten rechtstreeks in je mailbox.
Abonneer je op onze nieuwsbrief