Doelsoorten LIFE Kleine Nete | Natuurpunt

De rijke variatie aan habitats zorgt ervoor dat er een enorme diversiteit aan planten en dieren voorkomt in dit gebied. Hieronder worden slechts enkele van de honderden soorten genoemd.

Planten

De plantengroei in de vallei van de Kleine Nete is bijzonder divers.

Het deelgebied Kleine Nete is gekend voor zijn ruigtevegetaties gebonden aan zoetwatergetijden. Zowel het zeldzame zomerklokje Leucojum aestivum als lange ereprijs Veronica longifolia vinden hier hun bolwerk in Vlaanderen. Het Zomerklokje bloeit in april en mei massaal in deze getijdenruigtes. Na de bloei worden de doosvruchten vaak in hun geheel door water verspreid. De zaden die vrijkomen bevatten ook luchtholten waardoor ze nog enkele maanden kunnen blijven drijven. Daarnaast kan er ook verspreiding optreden door het verspoelen van bolletjes. Water vormt dan ook de enige natuurlijke verspreidingsmogelijkheid voor deze plant.

Zomerklokje in de Kleine Netevallei (Jonas Dillen)

Ook voor moeraskartelblad Pedicularis palustris is dit deelgebied van Vlaams belang. In de lente kan moeraskartelblad de hooilanden waarin het bloeit, paars kleuren. Het is niet alleen sterk gebonden aan natte groeiplaatsen, maar heeft ook andere planten nodig om te overleven. Het is namelijk een half-parasiet op grassen en zeggen met een duidelijk effect op deze gastheren. Waar hij groeit, blijven de vegetatie namelijk laag. Dit effect is zo groot dat de volgende generatie kartelblad genoodzaakt wordt om nieuwe gastplanten te parasiteren waarna de plekken waar de oudergeneratie stond zich kunnen herstellen. Dit resulteert in een verplaatsend vlekkenpatroon van kartelblad.

Moeraskartelblad in de Kleine Netevallei (Leo Vaes)

In het deelgebied Schupleer is er recent drijvende waterweegbree Luronium natans teruggevonden. Deze plant behoort tot de Bijlage II van de Habitatrichtlijn en vormt daarom een belangrijke doelsoort van LIFE+ Kleine Nete. Naast een recente waarneming in de Aa zijn er ook historische waarnemingen uit de Bollaak. 

In het deelgebied Heiberg-Snepkensvijver vinden we voornamelijk soorten van natte en droge heide en de daarmee geassocieerde habitats zoals buntgras Corynephorus canescens, zandzegge Carex arenaria, zandblauwtje Jasione montana, heidespurrie Spergula morisonii, struikhei Caluna vulgaris, gewone dophei Erica tetralix, kleine zonnedauw Drosera intermedia, witte snavelbies Rhynchospora alba, veenpluis Eriophorum polystachion, …

Ronde Zonnedauw in het Lavendelven (Jonas Dillen)

Ook komt er het klein warkruid Cuscuta epithymum voor. Net als moeraskartelblad parasiteert het op andere planten, in dit geval voornamelijk op struikhei Calluna vulgaris. Uit studies is gebleken dat het zaad verschillende jaren kan overleven om pas te kiemen wanneer een geschikte gastheer bepaalde stoffen afscheidt.

Wanneer het kiemplantje dat er uitziet als een haarachtig rood stengeltje, in contact komt met een andere plant klimt en kronkelt het rond die andere. Vindt de kiemplant die niet binnen een dag of tien, sterft het. Omwille van zijn groeivorm en verstikkende werking op zijn gastheer wordt het ook wel eens duivelsnaaigaren genoemd.

Dieren

Insecten

De grote habitatdiversiteit wordt ook gereflecteerd in de grote variatie aan insecten. De aanwezigheid van steenvliegen Plecoptera, beekrombout Gomphus vulgatissimus en vele andere soorten wijst op de relatief goede waterkwaliteit van de Kleine Nete.

Bruine Eikepage (Diane Appels)

In de heidehabitats komen nog bont dikkopje Carterocephalus palaemon, heideblauwtje Plebejus argus en groentje Callophrys rubi voor. Ook qua sprinkhanen vinden we er nog belangrijke relictpopulaties van o.a. snortikker Chorthippus mollis. Op zandige plekjes in de heide kan je ook de trechtervormige valkuiltjes van de larven van de mierenleeuw terugvinden. Enkel de kaken steken nog boven het zand uit. Zoals de naam het zegt zijn het vooral mieren die in deze val lopen. De volwassen mierenleeuw is een libelachtig beestje met een smal lichaam en een spanwijdte van 5 tot 7 cm. In de venrelicten vliegt de maanwaterjuffer Coenagrion lunulatum aan de rand van open water tussen de emergente vegetatie zoals veenpluis Eriophorum angustifolium.

Moerassprinkhaan (Jonas Dillen)

In de natte graslanden vinden we nog populaties van zowel moerassprinkhaan Stethophyma grossum als zompsprinkhaan Chorthippus montanus.

Vissen

Doordat de Kleine Nete en enkele zijlopen niet alleen een goed waterkwaliteit hebben maar ook nog een natuurlijk riviermorfologie met veel structuur vertonen, voelen verschillende zeldzame beek- en riviergebonden vissoorten er zich thuis. Zowel de beekprik Lampetra planeri, kleine modderkuiper Cobitis taenia als de rivierdonderpad Cottus gobio behoren tot de Bijlage II van de Habitatrichtlijn en komen er nog voor. Stroomopwaarts van het deelgebied de Kleine Nete zijn er ook vangsten van Kleine modderkruiper en Rivierdonderpad. Door de bouw van een vistrap zullen de populaties van deze soorten terug met elkaar in verbinding gebracht worden. Ook de grote modderkruiper Misgurnus fossilis en de rivierprik Lampetra fluviatilis zijn reeds waargenomen. Voor deze laatste soort stijgt het belang van het projectgebied omdat het in verbinding staat met het Schelde-estuarium en de waterkwaliteit van de Kleine Nete en haar zijlopen verbetert.

Beekprik. (Hugo Willocx)

Amfibieën en reptielen

De afwisseling van open en gesloten habitats, de aanwezigheid van proper water, … maken het gebied zeer geschikt voor amfibieën en reptielen. Je kan er ondermeer de heikikker Rana arvalis, de vinpootsalamander Lissotriton helveticus, de levendbarende hagedis Lacerta agilis en de hazelworm Anguis fragilis aantreffen.

Heikikker (Hugo Willocx)

TOP