Uitmijnen: specifieke voedingsstoffen toevoegen om voedselarme bodem te creëren

In dit project wordt gefocust op het herstel van een zeldzaam type bloemrijke graslanden. Het gaat om de zogenaamde ‘heischrale graslanden’. Dit type graslanden kwam lang geleden veel voor in het Kempense landschap. Daar is echter nog zeer weinig van overgebleven met in heel Europa nog maar enkele  fragmenten. Deze unieke natuur kan hersteld worden door de techniek van uitmijnen toe te passen.

De hoofdreden voor het verdwijnen van de bloemrijke graslanden is (over)bemesting. Deze zorgt voor een overaanbod aan voedingsstoffen in de bodem, zoals fosfaat, stikstof, kalium en andere stoffen. Hiervan profiteren maar enkele competitieve planten, voornamelijk grassen. Deze planten worden heel erg productief en vormen een dichte vegetatie waartussen andere, minder competitieve planten, geen kans meer krijgen om er te groeien. Het resultaat is een productief, maar zeer soortenarm grasland, vaak met niet veel meer dan één grassoort. De zeldzame soorten van voedselarme graslanden worden teruggedrongen tot de bermen, voor zover die nog intact zijn. 

Verschraling door maaien en afvoeren 

Om de biodiversiteit te herstellen moet het te veel aan voedingsstoffen dus uit de bodem worden verwijderd. Dit heet verschraling. Dit kan met behulp van de aanwezige vegetatie. Planten onttrekken voedingsstoffen uit de bodem wanneer ze groeien. Door ze regelmatig te maaien en het maaisel af te voeren, worden de opgenomen voedingsstoffen uit het grasland verwijderd. Op deze manier wordt het grasland geleidelijk voedselarmer en soortenrijker. 

De bovengenoemde techniek van maaien en afvoeren stuit echter op een grens. Sommige voedingsstoffen geraken eerder uitgeput dan anderen. Gewoonlijk zijn het fosfaten die in de grootste overmaat aanwezig zijn in bemeste graslanden en dus het moeilijkst te verwijderen zijn. Als er een tekort aan andere voedingsstoffen ontstaat, neemt de groei van de planten sterk af. Hierdoor gaat het verwijderen van de fosfaten die nog wel aanwezig zijn veel trager en kan volledig herstel van de bodem enorm lang duren. 

Voedingsstoffen toevoegen om voedingsstoffen te verwijderen

Om bovenstaande beperking op te lossen, bestaat een beheertechniek die op het eerste gezicht contradictorisch is: uitmijnen van fosfaat. Bij deze techniek worden voedingsstoffen toegevoegd  aan het grasland, iets dat bij natuurbeheer gewoonlijk ten stelligste wordt vermeden. Deze uitmijnstoffen bevatten de voedingsstoffen die zijn uitgeput. Op deze manier kan de productie van de vegetatie hoog blijven en worden de overgebleven fosfaten aan een hoger tempo verwijderd. Tijdens het proces van het uitmijnen is het grasland dus in een tijdelijke soortenarme toestand, maar de doelen kunnen veel sneller worden bereikt. Zo kan heischraal grasland op een haalbare termijn worden hersteld. Onderstaand schema geeft de verschillen tussen maaibeheer en uitmijnbeheer weer. 

Uitmijnen is in essentie een landbouwkundige techniek, maar er zijn een aantal fundamentele factoren waarin het verschilt met bemesting in de landbouw. Dit is logisch aangezien de doelen volledig verschillend zijn. Onderstaande vijf elementen onderscheiden een goed uitmijnbeheer van een landbouwbeheer. 

  1. Wetenschappelijke begeleiding

ForNaLab (Forest & Nature Lab) van Universiteit Gent volgt het uitmijnen in dit project van dichtbij op. Deze onderzoeksgroep is een autoriteit op vlak van uitmijnen. Er worden regelmatig bodem- en vegetatiestalen genomen. Deze stalen worden geanalyseerd om exact te weten hoeveel Voedingsstoffen er aanwezig zijn in de bodem en hoeveel er afgevoerd worden via de vegetatie. Op basis van de analyses kunnen ze exact berekenen hoeveel en welke uitmijnstoffen moeten worden toegevoegd en kunnen ze het proces bijsturen wanneer dat nodig is. 

  1. Samenstelling van de uitmijnstoffen

De juiste samenstelling van de uitmijnstoffen wordt nauwkeurig berekend, zodat enkel het nodige wordt toegevoegd. Er worden nooit voedingsstoffen toegevoegd die nog genoeg (te veel) in de bodem aanwezig zijn. Uitmijnstoffen bevatten dus nooit fosfaten, aangezien dat net de voedingsstof is die verwijderd moet worden. Dit in tegenstelling tot een klassieke bemesting, waarbij gewoonlijk steeds fosfaten worden toegevoegd, ook al zijn deze al in overmaat aanwezig.  

  1. Hoeveelheid uitmijnstoffen

Net als de samenstelling, wordt ook de hoeveelheid uitmijnstoffen zeer zorgvuldig bepaald. Er wordt telkens exact de hoeveelheid toegevoegd die de planten in dat jaar kunnen opnemen. Op deze manier worden de toegevoegde voedingsstoffen ook steeds terug verwijderd en blijven er geen overschotten achter in de bodem. 

  1. Lokale karakter

In tegenstelling tot klassieke bemesting, hebben de lokaal toegevoegde uitmijnstoffen geen effect op andere percelen. Doordat de exacte hoeveelheid toegevoegd wordt en alle voedingsstoffen weer worden afgevoerd, komen ze niet terecht in naburige percelen die mogelijk al goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn. 

  1. Tijdelijkheid

Een laatste belangrijke factor is het tijdelijke karakter van het uitmijnbeheer. Uitmijnstoffen worden maar gedurende een welbepaalde termijn toegevoegd. Na enkele jaren uitmijnen zijn de gewenste concentraties van voedingsstoffen bereikt. Vanaf dat moment wordt nooit meer iets toegevoegd. Gedurende de uitmijnperiode is een grasland weinig soortenrijk, maar dankzij ezie soortenarme periode kan daarna een prachtig bloemrijk (heischraal) grasland ontwikkelen. 


De vijf bovenstaande factoren zijn essentieel in een correct uitmijnbeheer en zorgen dat er, ondanks het toevoegen van voedingsstoffen, steeds minder voedingsstoffen in de bodem overblijven. Dit uitmijnbeheer wordt in samenwerking met enkele lokale landbouwers uitgevoerd in de verschillende projectgebieden. 


Een meer wetenschappelijke uitleg over bodemchemie en uitmijnen lees je in dit themanummer van Natuurfocus: https://www.natuurpunt.be/sites/default/files/documents/publication/natuur.focus_-_focus_op_biochemie.pdf

TOP