Het gaat niet goed met onze bijen

Naast de honingbij kent ons land nog zo’n 335 soorten bijen die veeleer solitair leven. Samen met de groep van de hommels worden zij ‘wilde bijen’ genoemd. Zij kennen vaak een gespecialiseerd bloembezoek. We horen steeds vaker dat bijen massaal verdwijnen.
Niet alleen honingbijen boeren achteruit, ook heel wat wilde bijen zijn bedreigd. En dat is slecht nieuws. Bijen ver- vullen immers een sleutelrol in de natuur. Ze zijn in grote delen van de wereld de belangrijkste bestuivers van wilde planten en heel wat land- en tuinbouwgewassen.

Wilde bijen stellen hoge eisen aan hun habitat. Ze hebben nood aan geschikte nestplaatsen, specifiek nestmateriaal en de juiste nectar- en stuifmeelbronnen. Ze hebben een beperkte actieradius; voedselbronnen en nestplaatsen mogen niet verder dan enkele tientallen tot honderden meter verwijderd zijn van elkaar. Variatie op microschaal is dus van groot belang.

Ook bedrijven kunnen hun steentje bijdragen door bij de inrichting en het beheer van hun terreinen aandacht te geven aan bijenvriendelijke maatregelen. Zo kan rond het bedrijf een waar bijenparadijs ontstaan waarbij economie en natuurbescherming hand in hand gaan. Goed ingerichte bedrijventerreinen kunnen fungeren als stapstenen in het landschap.

Voordelen van een ‘bijvriendelijke’ bedrijfsvoering

Bedrijven hebben heel wat voordelen bij een ecologische bedrijfsvoering, zoals bijvoorbeeld een innovatief en groen imago, een (lokaal) draagvlak voor de bedrijfsactiviteiten en zelfs kostenbesparing. Groen is bovendien hip, gezond en aantrekkelijk. Zowel klanten, werknemers als omwonenden appreciëren een groene omgeving. Wilde bijen zijn een goede kapstok om het natuurbeleid van het bedrijf aan op te hangen. Ze zijn intrigerend, divers, nuttig en totaal ongevaarlijk.

Aan de slag voor bijen!

Er kan veel gebeuren om een bedrijventerrein aantrekkelijker te maken voor bijen. Een ecologische bedrijfsvoering kan ook op kleine oppervlakten.

Met deze fiche stellen we tientallen concrete bijenmaatregelen voor. Meer tips en uitgebreide plantenlijsten zijn terug te vinden op www.natuurpunt.be/wildebijen.

Aan de slag voor bijen op jouw bedrijf!

Op een bedrijventerrein is vaak veel ongebruikte ruimte. Met wat aandacht voor enkele basisprincipes kunnen daar kansen gecreëerd worden voor insecten, zelfs voor habitatspecialisten.

Klassiek wordt het groen rond bedrijven nogal strak aangelegd. Een kortgemaaid gazonnetje met cypressen er rond heeft echter niet veel te bieden aan bijen. Er kan veel meer gebeuren. Vegetaties spontaan laten ontwikkelen bijvoorbeeld, is goedkoper dan aanplanten of inzaaien. Ook kleine verwezenlijkingen zoals een groendak of een aangepast maaibeheer voor de gazons kunnen al een grote impact hebben op de plaatselijke biodiversiteit. Behoud braaklig- gende terreinen en pioniersvegetaties, zij zijn belangrijk voor bijen en andere bloembezoekende insecten.

Bij de aanplant van bomen en struiken en de inzaai van bloemenmengsels kan voor aangepaste inheemse planten gekozen worden. Heel wat bijensoorten hebben immers een specifieke inheemse waardplant. Ook bij aanleg of inrichting van een terrein kan je slimme keuzes maken voor bijen.

Een goede interne en externe communicatie over de maatregelen zorgt enerzijds voor een appreciatie van het groen in de werkomgeving door de werknemers en anderzijds voor een groenere uitstraling. Je kan op veel manieren aan de slag!

Aan de slag voor bijen - tips voor bedrijven

Maak een beheerplan

  • Maatregelen hebben pas zin als ze worden volgehouden. Stel daarom een lange termijnplanning op en maak hiervoor een beheerplan. In dit beheerplan worden de verschillende onderdelen van het bedrijventerrein gesitueerd alsook hun onderhoudsvoorwaarden en de inpasbaarheid in de ruimere omgeving.
  • Een grondig uitgewerkt beheerplan leidt tot een onderbouwd en stabiel beheer en zorgt ook voor een duidelijk overzicht van de genomen maatregelen. In dit beheerplan kan al van bij de planning aandacht geschonken worden aan bijenvriendelijke maatregelen.

Bloembakken

  • Soms moet het allemaal een beetje netter en is er weinig ruimte voor spontane processen. Op zo’n moment zijn bloembakken een perfect alternatief. Bloembakken kunnen op terrassen, aan de ingang van een bedrijventerrein, op parkings of aan de bedrijfskantine.

Kies voor kruidachtigen zoals salie, hysop, bergbonenkruid of lavendel. Zij zorgen voor een bloemrijk aspect tijdens de zomermaanden en zijn een belangrijke nectar- en stuifmeelbron voor vele hommels en honingbijen. Ook andere planten van droge, arme bodems als kluwenklokje, slangenkruid en wilde reseda zijn hier op zijn plaats.

  • Potgrond geeft een te rijke voedsellaag voor veel interessante plantensoorten. Plant liever in een mix van compost en lemig zand.
  • Gebruik geen pesticiden.

Pioniersvegetaties

  • Op grotere bedrijventerreinen bestaat een deel van het terrein vaak uit opgespoten terreinen of verstoorde gronden waar spontaan pioniersvegetaties ontwikkelen. Die worden vaak als ongewenste onkruiden beschouwd. Pioniersvegetaties zijn nochtans vaak zeer nectar- en stuifmeelrijk en dus aantrekkelijk voor insecten. Het zijn meestal relatief ijle begroeiingen waardoor zonnestralen tot op de grond komen en de bodem opwarmen. Heel wat bodembewonende bijensoorten en ook tal van andere insecten maken gebruik van die kale, warme bodem.
  • Pionierssoorten zijn vaak zeer nectar- en stuifmeelrijk. Ook ‘slordige’ terreinen kunnen dus belangrijk zijn voor bijen. Ze dienen dan ook behouden te worden. Terreinen met veel open zand, bieden ook nestgelegenheid aan diverse grondbewonende bijen.
  • Pioniersvegetaties zijn meestal zeer tijdelijk van aard. Beheer is nodig om de (open) toestand te behouden. Dit beheer bestaat uit het verstoren van de bodem op regelmatige basis (om de 2-3 jaar) of maaien in het najaar.

Volgende typerende pioniersplanten komen spontaan voor en zijn heel belangrijke nectarbronnen: echte kamille, grote klaproos, koolzaad, slangenkruid, muizenoortje, honingklaver ...
Uiteraard is het gebruik van pesticiden of herbi- ciden hier uit
den boze.

  • Een aantal pioniers op ruderale terreinen zijn exotisch en kunnen sterk woekeren. Een voorbeeld daarvan is het bezemkruis- kruid, een giftige plant uit Zuid-Afrika, die enkele tientallen jaren geleden in Europa verzeild is. Die exoten kunnen door regelmatig maaien bestreden worden.

Verlaten groeven

  • Na zand-, grind-, of kleiwinning blijven oude groeves meestal verlaten achter. Typisch voor die terreinen is dat er veel verticale wandjes aanwezig zijn. Die zijn heel geliefd bij een grote groep grondbewonende solitaire bijen en wespen.
  • De vegetatie die zich er ontwikkelt is vaak heel gevarieerd en bloemrijk. Dit zijn dus boeiende biotopen voor bijen. De aanwezigheid van een waterplas met vochtige oevers is een pluspunt. Verschillende bijensoorten verzamelen vochtige aarde om hun nest te bouwen of komen hier drinken.
  • Laat ook voor ongebruikte groeves een beheerplan opmaken met daarin aandacht voor bijen. In het beheerplan staat omschreven welke vegetaties gewenst zijn, welke invasieve soorten best verwijderd worden, en welke maatregelen genomen dienen te worden om de vegetatie in de gewenste toestand te houden.
  • Een typisch beeld in moderne parken zijn de afscheidingen uit stenen in schanskorven. Als de schanskorven gevuld zijn met los gestapelde poreuze stenen en substraat (leem en/of klei), houden ze veel vocht vast en raken ze snel spontaan begroeid. Zand is niet geschikt als substraat omdat het te snel wegspoelt. Schanskorven kunnen ook aan de binnenkant met aarde worden gevuld en aan de buitenkant met steen. Ze vertonen dan gelijkaardige kenmerken als keermuren.
Aan de slag voor bijen - tips voor bedrijven

Van gazon naar spontane bloemenwei

  • Een klassiek gazonbeheer bestaat uit veelvuldig maaien, verwijderen van andere planten dan grassen, jaarlijks bemesten en levert een grasland op dat alleen uit kortgehouden grassen bestaat.
  • Een ecologisch maaibeheer beoogt net het tegenovergestelde. Door niet te bemesten daalt de productiviteit van de grassen en ontstaat er ruimte voor andere kruidachtigen.
  • Globaal gezien bestaat een ideaal maaibeheer op rijke gronden uit tweemaal maaien per jaar. De eerste maaibeurt gebeurt best tussen 1 en 15 juni, de tweede maaibeurt in oktober. Op voedselarme tot schrale gronden is één maaibeurt (in augustus- september) voldoende.
  • Ook gazons kunnen best interessant zijn als ze niet te vaak gemaaid worden (maximaal 5 keer per jaar) en zeker niet bemest. Dan ontstaan ideale groeiomstandigheden voor onder andere madeliefje en gewone rolklaver.
  • Maaien dient best te gebeuren met behulp van schijvenmaaiers, cirkelmaaiers, maaibalken of bosmaaiers en op een hoogte van 5-7 cm. Het maaisel nog een aantal dagen ter plaatste laten, helpt zaden om verder te rijpen en op de bodem te vallen en insecten een veilig onderkomen te geven. Daarna moet het maaisel verwijderd worden om aanrijking van de bodem te voorkomen.
  • Bloemrijke graslanden kunnen best gefaseerd gemaaid worden. Dat wil zeggen dat bij elke maaibeurt een stuk ongemaaid blijft, bij voorkeur de voedselarmste zones.
  • Ook in de winter wordt best hier en daar een stuk overgelaten. Die overblijvende zone zorgt voor overwintering- en schuilmogelijkheden. Idealiter wordt de strook nog in twee gesplitst, waarbij de ene zone in de even en de andere in de oneven jaren gemaaid wordt. Die maaibeurt dient in de periode eind september – eind oktober plaats te vinden.
  • In picknickweides, langs wandelpaden en in bepaalde speelzones kan afgeweken worden van dit maairegime. Hier is een korterevegetatie wenselijk en dient dus frequenter gemaaid te worden. Hoe meer overgangen van een korte naar een lange vegetatie, hoe beter.

 

Inzaai van een meerjarige bloemenweide

  • Op plaatsen waar natuur maar tijdelijk welkom is, kan het inzaaien van een bloemenmengsel nuttig zijn. Hierbij kan best gekozen worden voor een mengsel met inheemse bloemen van autochtone afkomst. Vermijd hierbij wel zeldzame of bedreigde soorten.
  • Mengsels met meerjarigen zijn duurzamer en moeten niet elk jaar opnieuw ingezaaid worden. In het eerste jaar is er dan geen bloei. Meerjarigen verdragen maaibeheer goed.
  • Percelen moeten voor de inzaai onkruid- en grasvrij gemaakt worden. Dit kan door het verwijderen van de grasmat (met een graszodensnijder), door afdekken met een ondoorzichtige folie of door diepploegen (minimum 30 cm omspitten, vóór de winter). Vóór de inzaai wordt best een vals zaaibed aangelegd. Dit kan de onkruiddruk sterk verlagen.
  • Inzaaien van een bloemenmengsel gebeurt in de periode van midden maart tot begin juni of van eind augustus tot midden oktober. Na het inzaaien moeten de zaden lichtjes ingeharkt worden. Bemesting is uit den boze. Bij grotere in te zaaien oppervlaktes kan het zaad best gemengd worden met droog zand. Dit zorgt voor een gelijkmatige verdeling van de zaden bij de inzaai.
  • Een meerjarige, vaste bloemenweide wordt meestal 2 maal per jaar gemaaid in de periodes 1 tot 15 juni en van eind september tot eind oktober. Bij voedselarme tot schrale bodems is één maaibeurt meestal voldoende.
  • Bloemenweides groeien het best op schrale, onbemeste en onverstoorde grond.

Bloemenakkers

Bloemenakkers bestaan uit éénjarigen en geven dus vrij snel een bloemrijk resultaat, ook op tijdelijke gronden. Bloemenakkers zijn een goede optie op rotondes, tijdelijke braakliggende gronden en restgronden.
  • De inzaai van een bloemenakker gebeurt gelijkaardig aan die van een
    meerjarige bloemenweide.
  • Éénjarige bloemenakkers mogen tijdens de bloei niet gemaaid worden. De mengsels moeten ieder jaar opnieuw ingezaaid worden en de grond dient elk voorjaar opnieuw verstoord te worden. Hierdoor is deze maatregel vrij duur.

Bloembollenweide

Bloembollenweides zijn niet alleen mooi maar hebben ook een belangrijke functie als nectar- en stuifmeelleveranciers in het vroege voorjaar, wanneer weinig andere planten aanwezig zijn. De meeste soorten zijn stinzenplanten maar daarnaast
bestaan ook enkele inheemse bolllen en knollen.

Voorbeelden zijn: vingerhelmbloem, boerenkrokus, gewone vogelmelk, Oosterse sterhyacinth, gewoon sneeuwklokje, daslook, wilde narcis en boshyacinth.

  • Bloembollen kunnen ook aangebracht worden tussen een beplanting waar bomen en struiken domineren.
  • Deze bloembollen zorgen voor een paars-geel-wit tapijt dat bloeit van eind februari tot begin april. Gedurende die periode mag dit bloementapijt niet gemaaid worden. Ook madeliefjes, paardenbloemen en boterbloemen tussen de bloembollen worden best niet gemaaid.
  • Bloembollenweides kunnen ook middenbermen van bredere lanen
    opfleuren.
  • Bloembollen worden geplant tussen eind september en begin november. Sneeuwklokjes vormen hierop een uitzondering. Die worden best in het voorjaar aangeplant. De meeste van onze aanbevolen soorten breiden spontaan uit en hoeven niet elk jaar opnieuw geplant te worden.

 

Sneukelhagen/bosjes

  • Sneukelhagen of –bosjes bestaan uit bomen, struiken en eventueel vaste planten die eetbare en lekkere zaden en vruchten opleveren.
  • Infoborden kunnen inwoners en voorbijgangers wijzen op het belang van bijen voor de vruchtzetting. Geef ook informatie over de vruchten en zaden en maak duidelijk voor welke toepassing ze gebruikt kunnen worden.

Maak gebruik van: tamme kastanje, bosaardbei, okkernoot, mispel, zwarte moerbeiboom, hazelaar, braam, framboos, egelantier, gele kornoelje, vlier, sleedoorn, zwarte bes, aalbes, kruisbes, zoete kers en rode kornoelje.

Aan de kust kan specifiek met duindoornstruwelen gewerkt worden. Deze struiken worden door bijen bestoven, de bessen worden massaal door vogels op doortrek gegeten en bevatten veel vitamine C.

 

Kruidentuinen/geneeskrachtige planten

  • Kruidentuinen of hoekjes met geneeskrachtige planten worden door heel wat mensen positief onthaald.

Maak gebruik van: salie, verschillende tijmsoorten, bieslook, stinkende gouwe, lavendel, watermunt, kattenkruid, wilde marjolein, bonenkruid, betonie, ijzerhard, komkommerkruid, venkel, citroenmelisse, rozemarijn, dragon, hyssop, rode zonnehoed, scharlei, smeerwortel, boerenwormkruid en dovenetels.Deze bevatten allemaal nectar en stuifmeel voor bijen.

  • Probeer ook eens een kruidenspiraal. Die kan opgebouwd worden met stenen die op elkaar gestapeld worden en met een los voegsel van zand en kalkrijke leem vastgemaakt worden. De voegen kunnen door specifieke bijensoorten gebruikt worden als geschikte nestplaats.

 

Bloemborders

  • Populaire planten zoals petunia’s, hortensia’s, begonia’s, de meeste rozen en pelargoniums trekken nauwelijks vlinders, hommels of bijen aan. Ook siergrassen en varens behoren niet tot de bloemplanten en zullen dus ook geen bijen lokken.
  • Dubbele bloemen en cultivars zijn meestal een streling voor het oog
    maar ze hebben nauwelijks iets te bieden aan bloembezoekende
    insecten.
  • Kies zoveel mogelijk voor de aanplant van inheemse planten. Een aantal exotische planten gedraagt zich invasief en kan een bedreiging vormen voor de inheemse planten – en dierenrijkdom. Kijk even op www.alterias.be voor de zwarte lijst van invasieve exoten en vermijd het gebruik ervan in bloemborders.
  • Kies zoveel mogelijk voor bloeiende meerjarigen. Zorg voor een constante bloeiperiode van begin maart tot eind oktober.
  • Varieer in zonbeschenen en beschaduwde borders. Varieer ook de bodemsoort, waar mogelijk, van kalkrijk tot zuur, of van kleiig tot zandig. Verschil in bodemsamenstelling en lichtconditie leidt tot verschillen in plantensoorten.
  • Als bloemborders goed zijn samengesteld kunnen ze gewoon gemaaid worden, in combinatie met een viertal wiedbeurten per jaar. Maaien, schoffelen en harken zijn uit den boze.
Aan de slag voor bijen - tips voor bedrijven
Groendaken
Groendaken zijn niet alleen geluid- en warmteisolerend maar zorgen ook voor het optimaal vasthouden van regenwater en kunnen door dieren en planten als ecologische stapsteen gebruikt worden.
  • Vetkruiden of sedums zijn een logische plantenkeuze voor extensieve groendaken met een beperkte substraatdikte maar ze zorgen slechts tijdens een beperkte periode (in de maanden juni en juli) voor nectar en stuifmeel. Sedummatten kan je beter niet gebruiken voor een biodivers groendak. Ondanks het snelle resultaat bieden ze geen ruimte voor andere plantensoorten en voor insecten.

De bloeiperiode kan gevoelig uitgebreid worden wanneer groendaken beplant worden met een combinatie van verschillende zonneminnende kruiden, zoals wondklaver, slangenkruid, kattenkruid of wilde reseda.

Bepaalde bijenplanten zoals kruipend zenegroen, kluwenklokje en hondsdraf zijn eerder schaduwplanten. Die kunnen aangeplant worden in de schaduw van muren of zonnepanelen en op vochtigere daken.

  • Wanneer enig reliëf aangebracht wordt, kan een simpel groendak drogere en nattere zones bevatten, wat zich uit in een meer diverse plantengroei.
  • Een klassiek groendak bevat geen nestgelegenheden voor wilde bijen. Die kunnen nochtans eenvoudig voorzien worden door enkele dikke, verweerde boomstammetjes op het dak te leggen. Die voorzien zowel luwte als nest-plekken voor houtbewonende soorten.
  • Waar mogelijk kies je om zandophopingen te voorzien. Die zijn erg in trek bij grondbewonende bijen. Leg ze bij voorkeur aan in één van de zonbeschenen hoeken van het dak, waar het zand niet wegwaait. Zaai ze in met composieten als biggenkruid en klein streepzaad of leg vast met enkele keien.
  • Voor de aanplant van grotere kruiden en struiken is een dikke substraatlaag noodzakelijk omdat die dieper wortelend zijn. Zwaardere daken met een dikkere substraatlaag kunnen uiteraard niet overal. Een dak met 20 cm substraat weegt al gauw zo’n 300 kg/m².
  • Bijenhotelletjes op een groendak kunnen bijkomende soorten van nestgelegenheid voorzien. Zorg zeker voor nestgangen met een diameter van 2-4 mm voor de tuinmaskerbij die verzot is op sedums. Een muurtje met leem tussen de stenen biedt de gewone smaragdgroefbij dan weer een plekje onder de zon.
  • Op grotere groendaken (en andere platte daken) kunnen, in overleg met een plaatselijke imker, bijenkasten geplaatst worden.

 

Gevelbegroeiing

‘Groene’ muren zorgen niet alleen voor een fraaier uitzicht maar zijn ook een belangrijke schuil- of nestplaats voor heel wat diersoorten. Met de juiste plantenkeuze kunnen ook bijen en andere bloembezoekende insecten hiervan mee profiteren.

Inheemse en bijenvriendelijke planten die gebruikt kunnen worden voor de bezetting van hoge, betonnen of bakstenen muren zijn onder andere klimop, hop, wilde kamperfoelie, bosrank, spekwortel ... Goede klimplanten voor hekken en afrasteringen zijn onder meer brede lathyrus, reukerwt, bitterzoet en heggenrank.

Wingerdplanten zijn uitheems maar bieden, zeker voor honingbijen, ook de nodige nectar.

  • Opletten met giftige planten zoals heggenrank, bitterzoet en spekwortel in de buurt van scholen of op plaatsen waar kinderen gemakkelijk aan de bessen of bloemen kunnen.
  • Laat klimop in bloei komen en snoei geen twee keer per jaar. Bij snoeiwerken laat je best altijd een zone ongemoeid.

Aan de slag voor bijen. Tips voor bedrijven

Pesticidengebruik

Pesticidengebruik is slecht voor insecten in het algemeen en voor bijen in het bijzonder. Er zijn ook voldoende alternatieven.
  • Het ‘Vlaams Decreet houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten’ legt vast dat uiterlijk op 31 december 2014 alle openbare ruimten pesticidenvrij beheerd en onderhouden moeten worden. 

Veel van de bestreden ‘onkruiden’ zijn eigenlijk heel goede waardplanten voor bijen. Denk bijvoorbeeld aan paardenbloem, diverse klaversoorten, boterbloemen, zevenblad, biggenkruid, gewone brunel ...

Verschillende alternatieven

  • Gebruik éénjarigen om bloemborders of open plekken bedekt te houden en ongewenste onkruidengroei tegen te gaan.
  • Laat spontane begroeiing op braakliggende gronden zijn gang gaan. In het begin kan dit intensief gemaaid worden, daarna kan dit maaibeheer afgebouwd worden. Ongewenste onkruiden zullen na een aantal jaar intensief maaibeheer vanzelf verdwijnen.
  • Beplant boomspiegels met vaste planten of laat afgevallen bladeren liggen. Vermijd het aanbrengen van houtsnippers. Ongewenste onkruiden zijn vooral lichtminners. Door de bodem bedekt te houden en niet te verstoren krijgen deze pioniers minder kansen.

Geschikte bodembedekkers voor open plekken zijn onder andere gewone brunel, zevenblad, kruipende boterbloem, bosaardbei, kruipend zenegroen, hondsdraf, kleine maagdenpalm ...

  • Verhardingen zijn enkel nuttig wanneer ze voldoende betreden worden. Anders zijn grasdallen of grasstroken een goed en gemakkelijk beheerbaar alternatief. Verhardingen kunnen vrij van ongewenste (on)kruiden gehouden worden door stomen, borstelen, branden of bestrijden met heet water.
  • In borders en grasperken kan gewerkt worden met wieden, afsteken en plaggen en maaien.
  • Gemeenten en bedrijven kunnen ook de afbouw van het pesticidengebruik bij buurtbewoners en werknemers stimuleren, onder andere via sensibiliseringscampagnes.
Aan de slag voor bijen - tips voor bedrijven
Open plekjes
  • Ongeveer de helft van alle solitaire bijensoorten maakt een nest in de grond. Belangrijk voor deze groep is dus dat er voldoende plekjes open zand blijven bestaan in borders en gazons.
  • Het opbrengen van houtsnippers in bloemborders zal weliswaar helpen tegen overmatige onkruidengroei maar daarnaast ook de nestplekken voor die bijen bedekken en zorgen voor een verhoging van de voedselrijkdom. Werk daarom liever met bodembedekkers om onkruiden tegen te gaan. De bijen vinden hierin nog vrij gemakkelijk geschikte nestplekken.
  • Randen van gazons zijn vaak geschikte nestplaatsen voor solitaire bijen. Hou die vrij én pesticidenvrij.
  • Enkele bijensoorten maken hun nesten graag tussen de stoeptegels van opritten, wandelpaden of trottoirs. Vernietig die bijennesten niet en zorg voor voldoende educatie/informatie. Solitaire bijen zijn kortlevend, bijzonder nuttig en niet gevaarlijk.
  • Hoe meer verhardingen (beton, klinkers, gravel ...) aangelegd worden, hoe minder geschikte nestplaatsen overblijven.

 

Bijenhotels

  • Zo’n 50 soorten solitaire bijen en ook heel wat solitaire wespen en andere insecten, nestelen in zogenaamde bijenhotels.
  • Een bijenhotel bestaat meestal uit een combinatie van nestgangen in houtblokken en bundels met holle stengels.
  • Nestgangen dienen in hardhout uitgeboord te worden. Variatie in diameters is belangrijk. De diameter dient tussen 2 en 10 mm te zijn, de diepte ongeveer 6 tot 15 cm. Daarnaast kunnen ook holle stengels (met dezelfde variatie in diameter) gebundeld worden. Plaats een bijenhotel steeds beschut tegen regen en wind en gericht op het zuiden en op een zonnige plek. Plaats het bijenhotel niet te laag bij de grond tegen opspattend water.
  • Solitaire bijen en wespen zijn niet agressief. Zij hebben geen kolonie of honingvoorraad te verdedigen. Daarnaast hebben de meeste soorten geen functionele angel. Een bijenhotel kan dus ook in scholen en parken of op bedrijventerreinen. Bijenhotels hebben sowieso een hoge educatieve waarde.
  • Het plaatsen van een infopaneel naast het bijenhotel kan zorgen voor een verlaagde kans op vandalisme. Bijenhotels die geplaatst worden op plaatsen met een hoge sociale controle worden het minst gevandaliseerd.
  • Een bijenhotel zonder een groene leefomgeving is als een café zonder bier. Werk daarom tegelijk ook aan een vergroening van de omgeving.
TOP