Het gaat niet goed met onze bijen

Naast de honingbij kent ons land nog zo’n 335 soorten bijen die veelal solitair leven. Samen met de groep van de hommels worden zij ‘wilde bijen’ genoemd. Zij kennen vaak een gespecialiseerd bloembezoek. We horen steeds vaker dat bijen massaal verdwijnen. Niet alleen honingbijen boeren achteruit, ook heel wat wilde bijen zijn bedreigd. En dat is slecht nieuws. Bijen vervullen immers een sleutelrol in de natuur. Ze zijn in grote delen van de wereld de belangrijkste bestuivers van wilde planten en heel wat land- en tuinbouwgewassen.

Wilde bijen stellen hoge eisen aan hun habitat. Ze hebben nood aan geschikte nestplaatsen, specifiek nestmateriaal en de juiste nectar- en stuifmeelbronnen. Hierdoor zijn het uitstekende graadmeters voor de kwaliteit van het openbaar groen. Ze hebben een beperkte actieradius; voedselbronnen en nestplaatsen mogen niet verder dan enkele tientallen tot honderden meter verwijderd zijn van elkaar. Variatie op microschaal is dus van groot belang.

De oppervlakte tuin en park in Vlaanderen is vele malen groter dan de totale oppervlakte aan beschermd natuurgebied. Aandacht voor biodiversiteit in het algemeen, en bijen in het bijzonder, in openbaar groen en tuinen kan dus een sterk positief effect hebben op de bescherming en het behoud van deze belangrijke diergroep.

Voordelen van een ‘bijvriendelijk’ groenbeheer

Ecologisch groenbeheer kent heel wat positieve effecten. Zo vervult de natuur levensnoodzakelijke ecosysteemdiensten zoals het verminderen van luchtvervuiling, verhogen van de luchtvochtigheid en het doen dalen van de luchttemperatuur.

Ook is er het positief gevoel dat bewoners hebben als ze in ‘hun’ groene stad of gemeente kunnen vertoeven en ontspannen. Een groene werkplek leidt tot een grotere tevredenheid onder werknemers en werkt rustgevend. Groen is bovendien hip, gezond en aantrekkelijk. Zowel consumenten, buurtbewoners als werknemers vragen om te kunnen wonen, werken en genieten in een groene omgeving.

Tot slot spelen ook economische belangen mee. Zo levert aangepast maai- en onderhoudsbeheer financieel voordeel op.

Aan de slag voor bijen!

Stadsbewoners vervreemden almaar meer van de oorspronkelijke inheemse fauna en flora. Een mensgericht park- en groenbeheer met aandacht voor bijen maakt het zowel voor dieren als inwoners aangenamer. Educatie op maat kan stadsbewoners tot een natuurlijke inrichting van hun eigen omgeving aanzetten.

Met deze fiche stellen we tientallen concrete bijenmaatregelen voor. Meer tips en uitgebreide plantenlijsten zijn terug te vinden op www.natuurpunt.be/wildebijen.

Aan de slag voor bijen in jouw gemeente!

Ook in jouw gemeente kan je op talloze manieren iets doen voor bijen. Openbaar groen wordt best volgens de principes van het Harmonisch Park- en Groenbeheer beheerd: duurzaam, dynamisch, divers, mensgericht, natuur- gericht en milieugericht. Ook bijen profiteren daarvan.

Heel wat wegbermen zijn in beheer bij de gemeente. Een aangepast maairegime kan de omstandigheden voor bijen fel verbeteren. Ook braakliggende terreinen en graslanden in eigendom van de gemeente kunnen bijenvriendelijk beheerd worden. Vegetaties spontaan laten ontwikkelen is meestal goedkoper dan aanplanten of inzaaien en vraagt ook minder beheer.

Op kleine terreintjes waar men kiest voor de aanplant van bomen en struiken of de inzaai van bloemenmengsels genieten inheemse planten de voorkeur. De meeste bijensoorten zijn immers gebonden aan 1 of enkele inheemse waardplanten.

Goede voorbeelden en informatieborden kunnen burgers inspireren tot een natuurlijke inrichting van hun eigen leef- of werkomgeving. De meeste tips kunnen niet alleen in openbare parken toegepast worden maar ook in bloembakken en op terrassen. Scholen kunnen ingeschakeld worden bij de aanleg van kruidentuinen en sneukelhoekjes. Voorzie ook hier de nodige educatie.

Aan de slag voor bijen - tips voor lokale besturen

Maak een beheerplan

  • Om de duurzaamheid van het gevoerde beheer te garanderen wordt via een beheerplan een lange termijnplanning (20 jaar) opgesteld. Dit heet dan een Harmonisch Park- en Groenbeheerplan.
  • Een grondig uitgewerkt beheerplan leidt tot een onderbouwd en stabiel beheer en zorgt ook voor een duidelijk overzicht van de genomen maatregelen. In dit beheerplan kan reeds van bij de planning aandacht geschonken worden aan bijenvriendelijke maatregelen.

Beplantingen

  • Bomen en struiken leveren vaak een duidelijke meerwaarde aan het straatbeeld en aan het stadsklimaat. Daarnaast kunnen bepaalde bomen ook een massadracht betekenen voor bijen. Voor de aanplant van bomen en struiken wordt best inheems en autochtoon materiaal gebruikt. Kijk op www.plantvanhier.be voor verdelers van autochtoon plantgoed.

Laanbomen die veel nectar en stuifmeel bieden in het voorjaar zijn: gewone esdoorn, zoete kers, sierpeer, valse acacia, wilde lijsterbes, appel, kerspruim, pruim en gewone vogelkers. In de zomer kunnen deze aangevuld worden met tamme kastanje, winterlinde, zomerlinde en Hollandse linde.

  • Hagen, heggen en houtkanten fungeren pas optimaal als bijenhabitat als je ze tot bloei laat komen. Dat doe je door ze niet jaarlijks kort te scheren en voldoende uitgroeiruimte te geven.

Volgende inheemse struiken en heesters zijn zeer geschikt voor bijen: veldesdoorn, gele en rode kornoelje, één- en tweestijlige meidoorn, brem, wilde kardinaalsmuts, hulst, wilde liguster, taxus, sleedoorn, sporkehout, hondsroos en verschillende soorten wilgen (schietwilg, geoorde wilg, boswilg, kraakwilg, bittere wilg, kruipwilg, amandelwilg, katwilg)

Kleinere wilgensoorten die gebruikt kunnen worden in zijn onder meer de cultivars Salix acutifolia cv. ‘Pendulifolia’, Salix alba cv. ‘Chermesina’ en Salix capra cv. ‘Pendula’.

Stadsimkerij

  • Stadsimkerij is de laatste jaren sterk in zwang. Naast grote steden in het buitenland zoals New York, Parijs en London worden de voorbije jaren ook vaker korven met honingbijen in Vlaamse steden geplaatst. Leuven, Gent, Brussel en Antwerpen kennen reeds een actieve stadsimkerij en ook kleinere steden en gemeenten proberen hun steentje bij te dragen.
  • Bij het plaatsen van bijenkasten dienen volgende afstandsregels in acht genomen te worden: 20 m van omliggende bebouwing of een openbare weg of 10 m als er een opstaande wand van meer dan 2 m hoog aanwezig is.
  • Plaats zachtaardige volkeren, zeker wanneer er op scholen of openbare terreinen geïmkerd wordt. Een eenvoudige afsluiting, bestaande uit paaltjes en een touw, rond de korven kunnen nieuwsgierigen op een veilige afstand houden. Voldoende informatie, bv. aan de hand van infoborden, kan het belang van de bijen aanduiden en vandalisme inperken.
  • Bij het bouwen van een bijenhal of het plaatsen van bijenkasten in woongebied dient een vergunning aangevraagd te worden. Dit kan via een eenvoudig aanvraagdossier. Er zijn geen beperkingen op het aantal volkeren, de oppervlakte of het volume van de bijenstand. Er is sinds 1993 geen milieuvergunning meer nodig voor het houden van bijen.
  • Meestal gaat het om bijenkasten die, in overleg met de eigenaar, op een groen- of ander dak geplaatst worden door een imker. Doordat de imker vaak korven op verschillende daken heeft en duidelijke afspraken moeten gemaakt worden met de eigenaars is deze manier van imkeren arbeidsintensiever.

Muurvegetaties en oude muren

Muren van oude gebouwen herbergen vaak rijke muurvegetaties. Veel van deze muren zijn opgetrokken uit natuursteen en zijn verweerd en hebben grove voegen.
  • Muurplanten vestigen zich enkel op reeds verweerde muren. Een verweerde muur is per definitie een oude muur, veelal met een verloren functie en dus op het eerste zicht een ‘nutteloze’ muur.
  • Bij het restaureren van muren worden vandaag meestal materialen gebruikt die beter tegen verwering kunnen. Vroeger werd ook dieper en onregelmatiger gevoegd dan vandaag.
  • Deze voegen, holtes en scheuren in verweerde muren zijn belangrijke nestplaatsen voor wilde bijen.

Verder komen hier ook belangrijke bijenplanten voor zoals paarse dovenetel, liggende vetmuur, gele helmbloem, stengelomvattend havikskruid, kandelaartje, stijf barbarakruid, stinkende gouwe, muurpeper, muurleeuwenbek ...

Een typische bijenvriendelijke vegetatie die voorkomt op waterkeringsmuren bestaat onder andere uit kattenstaart, wolfspoot ...

  • Behoud waar mogelijk oude muren. Wanneer gerestaureerd of hervoegdmoet worden kan een specifieke mortelspecie gebruikt worden. Deze maakt de kolonisatie van muurplanten mogelijk en is ook bruikbaar als nestplaats voor wilde bijen. Deze mortelspecie bevat steeds een percentage traskalk of schelpkalk in plaats van cement en wordt niet te hard gemaakt.
  • Een typisch beeld in moderne parken zijn de afscheidingen uit stenen in schanskorven. Als de schanskorven gevuld zijn met los gestapelde poreuze stenen en substraat (leem en/of klei), houden ze veel vocht vast en raken ze snel spon- taan begroeid. Zand is niet geschikt als substraat omdat het te snel wegspoelt. Schanskorven kunnen ook aan de binnenkant met aarde worden gevuld en aan de buitenkant met steen. Ze vertonen dan gelijkaardige kenmerken als keermuren.
Aan de slag voor bijen - tips voor lokale besturen

Van gazon naar spontane bloemenwei

  • Een klassiek gazonbeheer bestaat uit veelvuldig maaien, verwijderen van andere planten dan grassen, jaarlijks bemesten en levert een grasland op dat alleen uit kortgehouden grassen bestaat.
  • Een ecologisch maaibeheer beoogt net het tegenovergestelde. Door niet te bemesten daalt de productiviteit van de grassen en ontstaat er ruimte voor andere kruidachtigen.
  • Globaal gezien bestaat een ideaal maaibeheer op rijke gronden uit tweemaal maaien per jaar. De eerste maaibeurt gebeurt best tussen 1 en 15 juni, de tweede maaibeurt in oktober. Op voedselarme tot schrale gronden is één maaibeurt (in augustus- september) voldoende.
  • Ook gazons kunnen best interessant zijn als ze niet te vaak gemaaid worden (maximaal 5 keer per jaar) en zeker niet bemest. Dan ontstaan ideale groeiomstandigheden voor onder andere madeliefje en gewone rolklaver.
  • Maaien dient best te gebeuren met behulp van schijvenmaaiers, cirkelmaaiers, maaibalken of bosmaaiers en op een hoogte van 5-7 cm. Het maaisel nog een aantal dagen ter plaatste laten, helpt zaden om verder te rijpen en op de bodem te vallen en insecten een veilig onderkomen te geven. Daarna moet het maaisel verwijderd worden om aanrijking van de bodem te voorkomen.
  • Bloemrijke graslanden kunnen best gefaseerd gemaaid worden. Dat wil zeggen dat bij elke maaibeurt een stuk ongemaaid blijft, bij voorkeur de voedselarmste zones.
  • Ook in de winter wordt best hier en daar een stuk overgelaten. Die overblijvende zone zorgt voor overwintering- en schuilmogelijkheden. Idealiter wordt de strook nog in twee gesplitst, waarbij de ene zone in de even en de andere in de oneven jaren gemaaid wordt. Die maaibeurt dient in de periode eind september – eind oktober plaats te vinden.
  • In picknickweides, langs wandelpaden en in bepaalde speelzones kan afgeweken worden van dit maairegime. Hier is een meer korter vegetatie wenselijk en dient dus frequenter gemaaid te worden. Hoe meer overgangen van een korte naar een lange vegetatie, hoe beter.

Inzaai van een meerjarige bloemenweide

  • Op plaatsen waar natuur maar tijdelijk welkom is, kan het inzaaien van een bloemenmengsel nuttig zijn. Hierbij kan best gekozen worden voor een mengsel met inheemse bloemen van autochtone afkomst. Vermijd hierbij wel zeldzame of bedreigde soorten.
  • Mengsels met meerjarigen zijn duurzamer en moeten niet elk jaar opnieuw ingezaaid worden. In het eerste jaar is er dan geen bloei. Meerjarigen verdragen maaibeheer goed.
  • Percelen moeten voor de inzaai onkruid- en grasvrij gemaakt worden. Dit kan door het verwijderen van de grasmat (met een graszodensnijder), door afdekken met een ondoorzichtige folie of door diepploegen (minimum 30 cm omspitten, vóór de winter). Vóór de inzaai wordt best een vals zaaibed aangelegd. Dit kan de onkruiddruk sterk verlagen.
  • Inzaaien van een bloemenmengsel gebeurt in de periode van midden maart tot begin juni of van eind augustus tot midden oktober. Na het inzaaien moeten de zaden lichtjes ingeharkt worden. Bemesting is uit den boze. Bij grotere in te zaaien oppervlaktes kan het zaad best gemengd worden met droog zand. Dit zorgt voor een gelijkmatige verdeling van de zaden bij de inzaai.
  • Een meerjarige, vaste bloemenweide wordt meestal 2 maal per jaar gemaaid in de periodes 1 tot 15 juni en van eind september tot eind oktober. Bij voedselarme tot schrale bodems is één maaibeurt meestal voldoende.
  • Bloemenweides groeien het best op schrale, onbemeste en onverstoorde grond.

Bloemenakkers

Bloemenakkers bestaan uit éénjarigen en geven dus vrij snel een bloemrijk resultaat, ook op tijdelijke gronden. Bloemenakkers zijn een goede optie op rotondes, tijdelijke braakliggende gronden en restgronden.
  • De inzaai van een bloemenakker gebeurt gelijkaardig aan die van een meerjarige bloemenweide.
  • Éénjarige bloemenakkers mogen tijdens de bloei niet gemaaid worden. De mengsels moeten ieder jaar opnieuw ingezaaid worden en de grond dient elk voorjaar opnieuw verstoord te worden. Hierdoor is deze maatregel vrij duur.

Bloembollenweide

Bloembollenweides zijn niet alleen mooi maar hebben ook een belangrijke functie als nectar- en stuifmeelleveranciers in het vroege voorjaar, wanneer weinig andere planten aanwezig zijn. De meeste soorten zijn stinzenplanten maar daarnaast bestaan ook enkele inheemse bolllen en knollen.

Voorbeelden zijn: vingerhelmbloem, boerenkrokus, gewone vogelmelk, Oosterse sterhyacinth, gewoon sneeuw- klokje, daslook, wilde narcis en boshyacinth.

  • Bloembollen kunnen ook aangebracht worden tussen een beplanting waar bomen en struiken domineren.
  • Deze bloembollen zorgen voor een paars-geel-wit tapijt dat bloeit van eind februari tot begin april. Gedurende die periode mag dit bloementapijt niet gemaaid worden. Ook madeliefjes, paardenbloemen en boterbloemen tussen de bloembollen worden best niet gemaaid.
  • Bloembollenweides kunnen ook middenbermen van bredere lanen opfleuren.
  • Bloembollen worden geplant tussen eind september en begin november. Sneeuwklokjes vormen hierop een uitzondering. Die worden best in het voorjaar aangeplant. De meeste van onze aanbevole soorten breiden spontaan uit en hoeven niet elk jaar opnieuw geplant te worden.

Sneukelhagen/bosjes

  • Sneukelhagen of –bosjes bestaan uit bomen, struiken en eventueel vaste planten die eetbare en lekkere zaden en vruchten opleveren.
  • Infoborden kunnen inwoners en voorbijgangers wijzen op het belang van bijen voor de vruchtzetting. Geef ook informatie over de vruchten en zaden en maak duidelijk voor welke toepassing ze gebruikt kunnen worden.

Maak gebruik van: tamme kastanje, bosaardbei, okkernoot, mispel, zwarte moerbeiboom, hazelaar, braam, framboos, egelantier, gele kornoelje, vlier, sleedoorn, zwarte bes, aalbes, kruisbes, zoete kers en rode kornoelje.

Aan de kust kan specifiek met duindoornstruwelen gewerkt worden. Deze struiken worden door bijen bestoven, de bessen worden massaal door vogels op doortrek gegeten en bevatten veel vitamine C.

Kruidentuinen/geneeskrachtige planten

  • Kruidentuinen of hoekjes met geneeskrachtige planten worden door heel wat mensen positief onthaald.

Maak gebruik van: salie, verschillende tijmsoorten, bieslook, stinkende gouwe, lavendel, watermunt, kattenkruid, wilde marjolein, bonenkruid, betonie, ijzerhard, komkommerkruid, venkel, citroenmelisse, rozemarijn, dragon, hyssop, rode zonnehoed, scharlei, smeerwortel, boerenwormkruid en dovenetels. Deze bevatten allemaal nectar en stuifmeel voor bijen.

  • Probeer ook eens een kruidenspiraal. Die kan opgebouwd worden met stenen die op elkaar gestapeld worden en met een los voegsel van zand en kalkrijke leem vastgemaakt worden. De voegen kunnen door specifieke bijensoorten gebruikt worden als geschikte nestplaats.

Bloemborders

  • Populaire planten zoals petunia’s, hortensia’s, begonia’s, de meeste rozen en pelargoniums trekken nauwelijks vlinders, hommels of bijen aan. Ook siergrassen en varens behoren niet tot de bloemplanten en zullen dus ook geen bijen lokken.
  • Dubbele bloemen en cultivars zijn meestal een streling voor het oog maar ze hebben nauwelijks iets te bieden aan bloembezoekende insecten.
  • Kies zoveel mogelijk voor de aanplant van inheemse planten. Een aantal exotische planten gedraagt zich invasief en kan een bedreiging vormen voor de inheemse planten– en dierenrijkdom. Kijk even op www.alterias.be voor de zwarte lijst van invasieve exoten en vermijd het gebruik ervan in bloemborders.
  • Kies zoveel mogelijk voor bloeiende meerjarigen. Zorg voor een constante bloeiperiode van begin maart tot eind oktober.
  • Varieer in zonbeschenen en beschaduwde borders. Varieer ook de bodemsoort, waar mogelijk, van kalkrijk tot zuur, of van kleiig tot zandig. Verschil in bodemsamenstelling en lichtconditie leidt tot verschillen in plantensoorten.
  • Als bloemborders goed zijn samengesteld kunnen ze gewoon gemaaid
    worden, in combinatie met een viertal wiedbeurten per jaar. Maaien, schoffelen en harken zijn uit den boze.
Aan de slag voor bijen - tips voor bedrijven
Groendaken
Groendaken zijn niet alleen geluid- en warmte-isolerend maar zorgen ook voor het optimaal vasthouden van regenwater en kunnen door dieren en planten als ecologische stapsteen gebruikt worden.
  • Vetkruiden of sedums zijn een logische plantenkeuze voor extensieve groendaken met een beperkte substraatdikte maar ze zorgen slechts tijdens een beperkte periode (in de maanden juni en juli) voor nectar en stuifmeel. Sedummatten kan je beter niet gebruiken voor een biodivers groendak. Ondanks het snelle resultaat bieden ze geen ruimte voor andere plantensoorten en voor insecten.

De bloeiperiode kan gevoelig uitgebreid worden wanneer groendaken beplant worden met een combinatie van verschillende zonneminnende kruiden, zoals wondklaver, slangenkruid, kattenkruid of wilde reseda.

Bepaalde bijenplanten zoals kruipend zenegroen, kluwenklokjeen hondsdraf zijn eerder schaduwplanten. Die kunnen aangeplant worden in de schaduw van muren of zonnepanelen en op vochtigere daken.

  • Wanneer enig reliëf aangebracht wordt, kan een simpel groendak drogere en nattere zones bevatten, wat zich uit in een meer diverse plantengroei.
  • Een klassiek groendak bevat geen nestgelegenheden voor wilde bijen. Die kunnen nochtans eenvoudig voorzien worden door enkele dikke, verweerde boomstammetjes op het dak te leggen. Die voorzien zowel luwte als nestplekken voor houtbewonende soorten.
  • Waar mogelijk kies je om zandophopingen te voorzien. Die zijn erg in trek bij grondbewonende bijen. Leg ze bij voorkeur aan in één van de zonbeschenen hoeken van het dak, waar het zand niet wegwaait. Zaai ze in met composieten als biggenkruid en klein streepzaad of leg vast met enkele keien.
  • Voor de aanplant van grotere kruiden en struiken is een dikke substraatlaag noodzakelijk omdat die dieper wortelend zijn. Zwaardere daken met een dikkere substraatlaag kunnen uiteraard niet overal. Een dak met 20 cm substraat weegt al gauw zo’n 300 kg/m².
  • Bijenhotelletjes op een groendak kunnen bijkomende soorten van nestgelegenheid voorzien. Zorg zeker voor nestgangen met een diameter van 2-4 mm voor de tuinmaskerbij die verzot is op sedums. Een muurtje met leem tussen de stenen biedt de gewone smaragdgroefbij dan weer een plekje onder de zon.
  • Op grotere groendaken (en andere platte daken) kunnen, in overleg met een plaatselijke imker, bijenkasten geplaatst worden.

 

Gevelbegroeiing

‘Groene’ muren zorgen niet alleen voor een fraaier uitzicht maar zijn ook een belangrijke schuil- of nestplaats voor heel wat diersoorten. Met de juiste plantenkeuze kunnen ook bijen en andere bloembezoekende insecten hiervan mee profiteren.

Inheemse en bijenvriendelijke planten die gebruikt kunnen worden voor de bezetting van hoge, betonnen of bakstenen muren zijn onder andere klimop, hop, wilde kamperfoelie, bosrank, spekwortel ... Goede klimplanten voor hekken en afrasteringen zijn onder meer brede lathyrus, reukerwt, bitterzoet en heggenrank.

Wingerdplanten zijn uitheems maar bieden, zeker voor honingbijen, ook de nodige nectar.

  • Opletten met giftige planten zoals heggenrank, bitterzoet en spekwortel in de buurt van scholen of op plaatsen waar kinderen gemakkelijk aan de bessen of bloemen kunnen.
  • Laat klimop in bloei komen en snoei geen twee keer per jaar. Bij snoeiwerken laat je best altijd een zone ongemoeid.

Aan de slag voor bijen. Tips voor lokale bedrijven

Pesticidengebruik

Pesticidengebruik is slecht voor insecten in hetalgemeen en voor bijen in het bijzonder. Er zijn ook voldoende alternatieven.
  • Het ‘Vlaams Decreet houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten’ legt vast dat uiterlijk op 31 december 2014 alle openbare ruimten pesticidenvrij beheerd en onderhouden moeten worden.

Veel van de bestreden ‘onkruiden’ zijn eigenlijk heel goede waardplanten voor bijen. Denk bijvoorbeeld aan paardenbloem, diverse klaversoorten, boterbloemen, zevenblad, biggenkruid, gewone brunel ...

Verschillende alternatieven

  • Gebruik éénjarigen om bloemborders of open plekken bedekt te houden en ongewenste onkruidengroei tegen te gaan.
  • Laat spontane begroeiing op braakliggende gronden zijn gang gaan. In het begin kan dit intensief gemaaid worden, daarna kan dit maaibeheer afgebouwd worden. Ongewenste onkruiden zullen na een aantal jaar intensief maaibeheer vanzelf verdwijnen.
  • Beplant boomspiegels met vaste planten of laat afgevallen bladeren liggen. Vermijd het aanbrengen van houtsnippers. Ongewenste onkruiden zijn vooral lichtminners. Door de bodem bedekt te houden en niet te verstoren krijgen deze pioniers minder kansen.

Geschikte bodembedekkers voor open plekken zijn onder andere gewone brunel, zevenblad, kruipende boterbloem, bosaardbei, kruipend zenegroen, hondsdraf, kleine maagdenpalm ...

  • Verhardingen zijn enkel nuttig wanneer ze voldoende betreden worden. Anders zijn grasdallen of grasstroken een goed en gemakkelijk beheerbaar alternatief. Verhardingen kunnen vrij van ongewenste (on)kruiden gehouden worden door stomen, borstelen, branden of bestrijden met heet water.
  • In borders en grasperken kan gewerkt worden met wieden, afsteken en plaggen en maaien.
  • Gemeenten en bedrijven kunnen ook de afbouw van het pesticidengebruik bij buurtbewoners en werknemers stimuleren, onder andere via sensibiliseringscampagnes.
Aan de slag voor bijen - tips voor lokale besturen
Open plekjes
  • Ongeveer de helft van alle solitaire bijensoorten maakt een nest in de grond. Belangrijk voor deze groep is dus dat er voldoende plekjes open zand blijven bestaan in borders en gazons.
  • Het opbrengen van houtsnippers in bloemborders zal weliswaar helpen tegen overmatige onkruidengroei maar daarnaast ook de nestplekken voor die bijen bedekken en zorgen voor een verhoging van de voedselrijkdom. Werk daarom liever met bodembedekkers om onkruiden tegen te gaan. De bijen vinden hierin nog vrij gemakkelijk geschikte nestplekken.
  • Randen van gazons zijn vaak geschikte nestplaatsen voor solitaire bijen. Hou die vrij én pesticidenvrij.
  • Enkele bijensoorten maken hun nesten graag tussen de stoeptegels van opritten, wandelpaden of trottoirs. Vernietig die bijennesten niet en zorg voor voldoende educatie/informatie. Solitaire bijen zijn kortlevend, bijzonder nuttig en niet gevaarlijk.
  • Hoe meer verhardingen (beton, klinkers, gravel ...) aangelegd worden, hoe minder geschikte nestplaatsen overblijven.

 

Bijenhotels

  • Zo’n 50 soorten solitaire bijen en ook heel wat solitaire wespen en andere insecten, nestelen in zogenaamde bijenhotels.
  • Een bijenhotel bestaat meestal uit een combinatie van nestgangen in houtblokken en bundels met holle stengels.
  • Nestgangen dienen in hardhout uitgeboord te worden. Variatie in diameters is belangrijk. De diameter dient tussen 2 en 10 mm te zijn, de diepte ongeveer 6 tot 15 cm. Daarnaast kunnen ook holle stengels (met dezelfde variatie in diameter) gebundeld worden. Plaats een bijenhotel steeds beschut tegen regen en wind en gericht op het zuiden en op een zonnige plek. Plaats het bijenhotel niet te laag bij de grond tegen opspattend water.
  • Solitaire bijen en wespen zijn niet agressief. Zij hebben geen kolonie of honingvoorraad te verdedigen. Daarnaast hebben de meeste soorten geen functionele angel. Een bijenhotel kan dus ook in scholen en parken of op bedrijventerreinen. Bijenhotels hebben sowieso een hoge educatieve waarde.
  • Het plaatsen van een infopaneel naast het bijenhotel kan zorgen voor een verlaagde kans op vandalisme. Bijenhotels die geplaatst worden op plaatsen met een hoge sociale controle worden het minst gevandaliseerd.
  • Een bijenhotel zonder een groene leefomgeving is als een café zonder bier. Werk daarom tegelijk ook aan een vergroening van de omgeving.
TOP