STILTE
Als de dagen zich opstapelen en muren trekken rond het uitzicht, als in je buik het bloed naar adem hapt,
sluip dan weg uit de bleke kamers zonder horizon en schud de schilfers uit je hoofd.
Voel hoe het vriezen ophoudt en het bos als een warme jas zich om je sluit tot je, van rust dooraderd, gewichtloos wordt.
Overbodig zijn hier woorden, want wandelen is spraak aan banden leggen, ballast afwerpen, uitgommen.
Pas als je weet waar stilte schuilt, merk je hoe grenzen vervagen, alles toch naadloos past. Afwezig ben je aanwezig, leeg verzadigd.
Ontrafel en vervel, verpop je, tot je roerloos en kwetsbaar wordt. Weerloos ben je tot de tanden gewapend.
Cyriel Gladines, dorpsdichter Tessenderlo |
EEN MUSJE IN DE WINTER
Een musje huppelde in het rond
op de besneeuwde grond.
Hij zocht een mals sprietje gras,
maar omdat het winter was
vond hij er geen.
Hij tsjilpte triest, net geween.
Mama kocht een zakje graan.
Dat werd in een schoteltje gedaan.
Mieke zette het buiten
en zag vanachter de ruiten
hoe het musje
van de graantjes smulde
en blij zijn buikje vulde.
Josée Van Laethem - Joseph Delvael
|
REGENBOOG
Regen zon wind en water Elementen zonder eind Gloed van vuur als krater de smaak van Eenzaamheid Nergens heen of toch Blauwe horizonten Ogen als verre dromen Oneindig onbereikbaar Geborgen gedragen in mijn hart
Familie Hilda Vercruysse - Debeuf
|
DRIE MUISJES
Achter de oude molen, aan de oever van de beek zie ik drie muisjes in het gras : eentje sprokkelt twijgjes eentje plukt de bessen eentje doet de was.
Aan de oever van de beek in het mulle zand genieten drie muisjes van de zon : eentje zit te fluiten eentje staat te dansen eentje trommelt op een ton. Als de avond is gekomen huiswaarts keren zij naar het huisje onder de molen : eentje kookt de pap eentje doet de vaat eentje begiet de gladiolen.
Als het maantje staat te schijnen slapen drie muisjes in hun huisje knus en net : eentje ligt te dromen eentje ligt te snurken eentje valt uit zijn bed.
Joseph Delvael
|
GERHAGEN
Wie van de wind in de bomen de gevleugelde taal verstaat, van wolken in de spiegeling van vennen de geheimen kent, kan van stilte de eenzaamheid doorstaan.
Want het bos is een warme moederbuik, een donker dier waarin je schuilen kunt, waar op weg naar het vaderhuis de wandelaar alleen zichzelf nog tegenkomt.
Hier behoort de tijd aan wie in het smeltend zonlicht het zachte likken van insecten kan verdragen.
Alleen wie alle stemmen is vergeten, kan als een bosgod het karmijnrode hart van de aarde luid horen bonzen.
Cyriel Gladines
|
PINNEKENSWIJER
Aan de kadans van kantoor en klok ontsnapt, op blote voeten in het zand, schoenen uitgetrapt. Ademloos, de neus vol hars en heidekruid, een buizerd in de lucht, verder geen geluid.
Na het gegons van bijen, als de nacht de stemmen tot gefluister heeft verzacht, behoort het ven aan vleermuizen en aan uilen, gezanten van zielen die zich hier verschuilen.
Bezwerend tussen lisdodde en gewijde eiken, waar druïden de handen naar de hemel reiken, prevel ik oude gebeden om de sterren te vereren en zo het kwaad en boze geesten af te weren.
De hartslag van de oertijd teruggevonden, over eeuwen met verre voorouders verbonden, kerf ik in zwerfstenen het geheime runeteken en bid opdat niets de stilte zou verbreken.
Cyriel Gladines |
STILTEGEBIED GERHAGEN
Hoe luid schreeuwde de aarde toen onstuitbaar uit haar navel bomen wortel schoten en kale vlaktes groen kleurden? Hoorde ze de eerste mensen grommen toen ze met noten en vruchten de lege magen vulden?
Hoe lijdzaam moest de wereld toezien toen mensen gulzig boom na boom ontschorsten. Nu bijlen en zagen eindelijk zwijgen, zwellen onder mos ongeremd nieuwe scheuten, wiegen in de wind weer kruinen.
Gewichtloos boven het geritsel van muizen hangen valken in de lucht, boven bos en heide trekken buizerds geduldig wijde cirkels. Hier telt de mens geld noch tijd, wordt alles wat onuitwisbaar was door stilte uitgewist.
Wanneer ’s ochtends versluierd zonlicht langs bedauwde stammen drupt, verstommen stemmen in je hoofd, word je weer wie je was. Hier vertoeven is honger, is dorst, is als een gewonde vogel toegevouwen vleugels openplooien.
Als in de schemering de nachtzwaluw roekeloos langs je scheert en zelfs schrammen in je huid niet meer schroeien, leer je haast ingetogen weer luisteren naar het ademen van de aarde. Want, alleen wie stilte bezit, heeft alles.
Cyriel Gladines |
MIJN WINTERVRIENDJE
Telkenjare bij de eerste winterdagen is hij de eerste die op komt dagen
Hij recht zijn kopje strekt zijn vleugeltjes uit het rode borstje fier vooruit
Hij bezet steevast de hoogste takjes van de vlier wacht op zijn vriendjes de meesjes, zo’n stuk of vier
Daar komen alras nog vriendjes aangevlogen een paar musjes, een koppel vinken over het weerzien opgetogen
Er klinkt gekwetter naast de waterplas van twee merels in een gitzwarte jas
Onder de heg schuilend voor des winds gewaai huppelt zorgeloos en vrij een fiere fraaie kraai
Elke ochtend zit ik als in een theater genietend van hun aubade hun vrolijk kwetterend getater
Ik verdenk die kleine schavuiten van chantage op mijn gemoed bedelend tot ik kom naar buiten en hen karrenvrachten brood en graantjes voed
Joseph Delvael |
November
hier staan we vrienden, broers en zussen, in wapenstilstand om een steen, terwijl we stil elkander kussen, spelen kinderen om ons heen,
gelukkig zij ze verenigd, wat oneerbiedig lijkt het wel, weer wordt iedere nood gelenigd, het lijkt wel kinderspel.
Guido De Henau
|
Hertengeburl
Met zijn zwarte kop in zijn nek gegooid Dijspieren gespannen in het leer gelooid Stond klaar om alle concurrenten te verbannen Zoog zich vol met boslucht en avondmist Hij was een perfecte solist…
Ignace De Vloed
|
Ardense Bospeinzels met een knipoog …
Slaat de bever met zijn staart op het water dan houden alle eendjes hun snater Maakt de gaai het met zijn gekrijs wat te bont dan kijken alle bosbewoners verschrikt in het rond Een foute richting van de stappende mensenvoet daar sneuvelt terug een paddenstoelenhoed Zindert de lucht van hertengebrul zijn er onbeschaamde blikken richting zijn l.l Is het mensdier gezeten op het natte gras vele insecten sneuvelen alras Is de everzwijnenpoel gevuld met water dan is het modderbad voor later Hangen de koffiebonen aan elkaar geklit dan is er wat fout met de reeëndarm-transit Heeft het de vorm van een torpedo dan is het een hertenproduct van topniveau Als ik zo blijft verder zeveren dan zullen ze me nog uitleveren…
Ignace De Vloed
|
|
oktober,de spaarzin wordt nu aangezwengeld, door banken bij Marjan failliet, er moet gehamsterd en gehengeld, en nergens klinkt een olijk lied, gelukkig schat geef je een kus, hij klinkt wat lauw en sober, we spelen schaak en jij zegt, mus, bij 't haardvuur in oktober
Guido De Heneau
|
Het spinnenet
ach spinneke wat hangt gij zo wat hangt gij zo te hangen ge zit waarschijnlijk precies of niet in 't eigen net gevangen
dat net gij gesponnen hebt met zijden draden duizend lijk honinggraten van een bij en wuivend naar mij wuivend
maar 'k laat mij echt niet vangen niet al is uw net zo prachtig vandaag nog had ik dit bedacht ook niet al wordt ik tachtig
zo is er dikwijls schone schijn en wordt mijn hoofd haast dronken ik schenk alleen maar klare wijn en 'k wil met woorden pronken
Vercruysse-Debeuf Jan & Hilde
|
september,
nu zal de pracht in kleur verzinken, en dauw in mist zijn sluiers hangen, met zwaluws vol en vol van vinken, voldaan nog gloeiend van verlangen,
terug naar school en kwetterend voort, de jacht gaat open, hoornen schallen, de keuken kruidt in damp gesmoord, het wild met ware jachtverhalen.
Guido De Heneau
|
Knotwilg
de voeten sterk geworteld aan het water getekend door het seizoenenspel weer wind storm hagel en soms heel soms de zon heilzame zon het verhoute eelt koestert zich en taai en jong de takken groene bladeren hoop leven vranke uitnodiging laat me even strelen jouw bast onopvallend schaamtevol haast om het genieten vanwaar de verontschuldiging als man te voelen verbondenheid met de knotwilg aan de kreek die alles zag ook wat niet goed was eigenzinnig na het knotten zwijgzaam immerweer herbeginnen in weer wind storm en hagel en soms heel soms de zon
Bert Raets
|
augustus,
oog jij ook nog op wat rust? oogst en rust, Vlaamse keizer, bereis jouw land, zijn land en kust, de scheldemond, de ijzer,
slaat de donder met een knal, over de lage landen, de oogst die ons behoeden zal, brengt vrede, welbehagen.
Guido De Henau
|
Licht
Zo licht Als ook het woord is Is het licht dat Door de stoppels heen het land In lichterlaaie zet Een helderblind gezicht Tot met mijn ogen dicht Mijn lichtgeraakte netvlies brandt
Magda Brijssinck
|
winterzonnewende
rivieren rijzen in het licht van de eerste wintermaan krullen roestbruine nerven rot trompetboom schreeuwt zijn peulen los takken huilen om de zittenblijvers
dramatisch donkerbos sluit zijn gordijn voor de barre bamistijd
het hele dorp gaat naar zijn rustbak ik friemel nog wat met het kaarslicht luitspelende herder jouw silhouet wil ik meenemen schim die over mij waakt en wacht
eleonorah tiamath
|
|
|
elverenberg
ik woon op de notabele top van de elverenberg met een blik op oneindig van in mijn huis doolt mijn oog van het dal, het diepste der aarde tot hoog in de horizon die aan de hemel gespijkerd is
ik ben veel groter dan mijn zoon niet in centimeters maar in zien in zijn appartement in de stad grijpen zijn kijkers slechts vier meter ver kamermuren bepalen zijn wereld
het leven is er klein smalle straten vergrendelen het zicht en wie slechts blinde vlekken bespiedt leeft niet maar bedenkt een metafysica van het bestaan
het doorluchtige is slechts groots op de buiten
eleonorah tiamath
|
|
|
verschroeid verzamelaarexemplaar
gestolde smaragdhagedis plakt nog aan de muur te bruinen lang nadat de zon haar een rode kaart gaf
ijdelheid leidt tot eenzaamheid had moeder verwittigd hooghartige patriciërs vertoeven nooit lang op het forum
gisteren miss beauty vandaag verstijfd steendier morgen organische edelsteen
geef mij maar een olijfkleurige stilstaande beweging voor eeuwig op een matje geprikt
eleonorah tiamath
|
|
|
postduiven
tweeling-witte-berk olijfgroen gevlekt door zure winterregen gespleten bast krult omhoog en omlaag als onderlip van een verwend kind klimop verwarmt hun voeten kruinen zoenen wortelen in elkaar
een postduivenpaar bosbruin woudblauw neemt stelling op een tak fatsoenlijk boven elkaar wisselen een paar blikken spreiden staartveren en cirkelen welgemanierd samen weg naar de nok van het tuinhuis
ze keuvelen ze dartelen kopje naar links kopje naar rechts botsen met hun borsten stoppen de torteldans koeren een excuus gedomesticeerden vol animale passie blijven steeds beleefd voor elkaar
eleonorah tiamath
|
|
|
vrede en wijsheid in de bomen
in een adellijke tuin in de siërra de Grazalema vertoefden twaalfde-eeuwse filosofen onder ridderlijke rubberbomen
Averroës reciteerde de heilige kalligrafie één van Gods attributen en Zijn persoonlijke schepping de koran zijn mascotte
Maimonides noteerde de gids der verdoolden en verlichtte met de menora het brandend braambos de thora zijn talisman
judaspenning en balsempopulier vroegen de coniferen in bolvorm wie het bij het rechte eind had
o-lijf-boom en pijn-boom zwegen
eleonorah tiamath
|
|
peuterpoëzie
met wijdopen bek werpt moeder zee voedsel voor haar vlees groenten als bruine en groene tagliatelleslierten gekrulde rode koolnerfjes op hol geslagen ebbenhouten bolsternootjes
egels met glitterende stekelpakjes rollen wellustig op het ritme der getijden golven loeien en blaten aaien en paaien weekdieren polijsten hun tanden
zeesterren krullen zich in vijf bochten maxi mossels gapen hun verwanten met open skeletten aan ongekende strandvogels knarsetanden hoog op het rif hun keelgeluiden doorklieven de baaien mijn ukje holt achter de echo een twee drie zeeboezems ver
eleonorah tiamath
|
|
|
aaike-boom
zij slijmt op de stam sloom naar omhoog alsof haar lichaam gemaakt is uit leem
kluift haar vingers rond een teen print de hakken in de schors
natuurtalent mondschilderes breekt haar gedachtestroom in de bast van een eeke-boom
kurkkapster krast met venijnscherp twijgje a-mo-ré in pantoffelhout akerneutjes-boom gemortificeerd Flora Batavia geëmitteerd
eleonorah tiamath
|
|
nobelprijs
want zo is het altijd geweest een arkduif bode van vrede en geluk pent met een olijventakje -nest- in de nevel van de ochtend
ze koert naar haar heerschap om bijstand landt in een bronzen beukenboom nog ros van oude blaren legt het eerste twijgje zijdezacht aan verse okselknoppen
roekoekt een tweede keer eitjes staan op barsten de zon blinkt haar buikje blauw
-echtgenoot haast je help mij broeden in de contouren van sjalom-
zo is het altijd geweest
eleonorah tiamath
|
|
|
De Zenne
Haar tover is ontluisterd, verschuilt zich in een riet, dat buigt en wijkt en niet goed ziet, waar het zijn lieve woorden fluistert.
Ze wou van water parelmoer, geen witvet om haar kraag, ze wou van liefde het behaag, een maagd gedegradeerd tot hoer.
Toch wil ze komen als het kan, ademen en sierlijk lopen, tijen, lijnen, speels langs sloot en dam,
een Iris zijn voor hen die hopen, voor Brussel dat de Iris nam, de dichters zetten alle sluizen open!
Guido De Henau
|

|
| Heb je ook een gedicht over de natuur? Stuur het naar webmaster. |