Wulp

Wulp (Hugo Willocx).jpg

© Hugo Willocx

Algemeen

De wulp (Numenius arquata) is met zijn lange kromme snavel ongetwijfeld een van onze meest herkenbare weidevogels. De vrouwtjes zijn iets groter dan de mannetjes en hebben ook een wat langere snavel.

Met een voorkomen van Groot-Brittannië tot Siberië en van Scandinavië tot het zuiden van Frankrijk heeft de soort een uitgestrekt broedareaal. De populatie wordt op 212,000-292,000 broedparen geschat (BirdLife International 2015). Het zwaartepunt van het broedgebied van de wulp in Vlaanderen bevindt zich in het oosten van het land, met kerngebieden in de Antwerpse en Limburgse Kempen en uitlopers naar de Demer-, Gete- en Velpevallei. In het westen van het land broedt de soort nog in beperkte mate in de IJzervallei, de kustpolders en het haven- en poldergebied rond Antwerpen-Linkeroever en de Gentse Kanaalzone.

 


Trend

Sinds de jaren ‘80 kelderde de Europese broedpopulatie naar schatting met 30-49% (BirdLife International 2015). De soort staat inmiddels op de Europese Rode Lijst als ‘kwetsbaar’ genoteerd (BirdLife International 2017). Ook de Vlaamse populatie kreeg rake klappen: op 20 jaar tijd is onze wulpenpopulatie meer dan gehalveerd. In 2002 werd het broedbestand nog op 500-600 paar geschat, maar in 2017-2018 lag het aantal broedpaar op 170-230. Genoeg reden om de Wulp op de Vlaamse Rode Lijst onder de categorie ‘bedreigd’ onder te brengen (Devos et al. 2016). 


Voorkomen

In onze streken was de wulp oorspronkelijk een broedvogel van grote natte heideterreinen en veengebieden in de Kempen. Sinds de jaren ’80 zien we echter een verschuiving van de heide- en veengebieden naar (cultuur)graslanden ten gevolge van de verdroging en verzuring van de heide. Hierdoor nam het aantal broedparen in de Kempen geleidelijk aan af terwijl nieuwe broedgebieden aan de rand van de Kempen, zoals de Demer- en de Grensmaasvallei stilaan gekoloniseerd werden. Ook op Antwerpen Linkeroever doken de eerste broedgevallen eind jaren ‘80 op. 

De bezetting van nieuwe broedgebieden buiten de Kempen zette zich verder door. Begin 21e eeuw had een 30-tal paar wulpen zich verspreid gevestigd in de valleigebieden van de Demer, Velpe, Gete en Herk. Ook in de Kustpolders (Zwinstreek, IJzerbroeken) streken nieuwe broedparen neer maar de aantallen bleven hier beperkt. In de Kempen daarentegen zijn de aantallen op korte tijd drastisch afgenomen. 

Buiten de Kempen is de toestand van de Wulp wisselend. Op Antwerpen-Linkeroever lijkt de soort op de terugweg met recent hooguit nog 1 of 2 territoria. De populatie in Vlaams-Brabant, vooral in de Getevallei, houdt stand met een 15-tal paren. Tegen de algemene trend in nam de broedpopulatie in de IJzerbroeken de laatste 10-20 jaar sterk toe, met een voorlopig maximum van 39 paar in 2018. De broedgevallen aan de Oostkust in de jaren ’90 kregen echter geen gevolg meer in de periode nadien en hebben niet geleid tot de ontwikkeling van een lokale vaste populatie.

Na het broedseizoen verlaten de wulpen hun territoria en trekken naar de kustgebieden van Groot-Brittanië, Ierland, Frankrijk, Spanje en Portugal waar ze overwinteren in grote groepen. 


Broedecologie

Wulpen keren uit hun overwinteringgebieden terug vanaf begin februari. Ze zijn plaatstrouw en zullen vaak jaren na elkaar hetzelfde territorium bezetten. Eens de lente in het land is begint de broedtijd. Het vrouwtje kiest een geschikt grasland uit als nestplaats en zal tussen half maart en eind mei  3 tot 5 eieren leggen in een ondiep kuiltje tussen het gras. Na ca. 30 dagen komen de jongen uit. Wulpenjongen zijn nestvlieders: ze verlaten na 1-3 dagen het nest en zoeken onder het waakzame oog van hun ouders hun eigen kostje bij elkaar. Daarbij gaan ze vooral op zoek naar kleine ongewervelden die zich op de grond en tussen het gras bevinden. Pas na 35 dagen zijn de jongen vliegvlug. Tot die tijd blijft het mannetje over hun waken. Het vrouwtje vertrekt al eerder naar de overwinteringsgebieden.

Knelpunten

  • landbouwwerkzaamhedenDe overstap naar het (cultuur)graslanden is niet zonder risico. Op de intensief beheerde graslanden gaan vaak nesten (en jongen) verloren ten gevolge van landbouwwerkzaamheden tijdens het broedseizoen. De inzet van pesticiden zorgt voor een verlaging van het voedselaanbod.
  • predatie: als grondbroeders lopen wulpennesten het risico om gepredeerd te worden door vossen, marterachtigen als steenmarter, hermelijn en wezel of zwarte kraaien die uit zijn op de eieren. Jonge wulpen moeten op hun beurt oppassen voor roofvogels en grondpredatoren.
  • kwaliteit leefgebied: Het verdwijnen en scheuren van historisch permanente graslanden heeft een nefaste invloed op het broedgebied van de wulpen. In uniforme raaigraslanden zijn wulpennesten makkelijker op te sporen door predatoren door het ontbreken van vegetatiestructuur. De afwezigheid van bloemrijke kruiden vermindert bovendien het voedselaanbod voor de jongen en vaak is de vegetatie te hoog en te dens voor de wulpenjongen om zich er makkelijk doorheen te verplaatsen. 

Beschermingsmaatregelen

  • nestbescherming: het plaatsen van een zogenaamd weidevogelraster rond het gebied of tijdelijke elektrische afrasteringen rond het nest kan het uitkomstsucces sterk verhogen. Een weidevogelraster is minimum 120 cm hoog boven de grond en wordt 30 cm in de grond ingegraven om te verhinderen dat grondpredatoren zoals bv. vos zich er een weg onderdoor graven. De maaswijdte moet voldoende klein zijn om ook kleinere marterachtigen buiten te houden. Idealiter is het weidevogelraster opgebouwd uit een dubbel raster van schapendraad met daar tegenaan dassengaas (maaswijdte 2,5 x 5 cm). Langs de buitenzijde van het weidevogelraster worden daarnaast nog drie schrikdraden voorzien.
    Een tijdelijk elektrisch raster rond het nest (min. 10x10 m) kan gecreëerd worden met behulp van een bestaande systemen als Gallagher Smartfence 2.0 of een schrikdraadnet in combinatie met een batterij met zonnepaneel die de stroomvoorziening verzorgt. Opgelet: wulpen zijn schuwe vogels die de plaatsing van tijdelijke rasters rond hun nest niet altijd aanvaarden. Daarom is het belangrijk de vogels na plaatsing van het raster vanop voldoende afstand te observeren om zeker te zijn dat ze terugkeren naar het nest.
  • compensatiesteun voor het beschermen van nesten en jongen van bedreigde vogelsoorten op landbouwpercelen. Hierbij is het van belang om de vogels na plaatsing van het tijdelijke raster vanaf een afstandje te observeren om zeker te zijn dat ze terugkeren naar het nest.
  • monitoring: vooraleer met nestbescherming gestart kan worden is het noodzakelijk te weten waar de wulpennesten precies gelegen zijn. Dit gebeurt best door observatie in het veld vanop afstand. Een drone met thermische camera kan helpen indien reeds een vermoeden bestaat waar het nest zich bevindt of verschillende koppels in relatief hoge dichtheden aanwezig zijn in een gebied.
  • habitatverbetering: kruidenrijke graslanden met een variatie aan kortere en hogere vegetatie zorgen voor voldoende dekking voor de nesten en voorzien de jongen te voorzien van voldoende voedsel en schuilgelegenheid. Een goede waterhuishouding laat de wulpen toe om met hun lange snavel naar prooien te zoeken in de bodem. Ondiepe plassen in weilanden zorgen bovendien voor geschikte slaap- en verzamelplaatsen en bijkomende foerageermogelijkheden voor de jongen.
  • het uitstellen van de maaidatum en het verlagen van de dichtheid van de veebezetting kan ervoor zorgen dat de nesten en/of jongen niet uitgemaaid of vertrappeld worden. In agrarisch gebied kan de landbouwer hiervoor een vergoeding aanvragen bij de Vlaams Landmaatschappij in de vorm van een weidevogelbeheerovereenkomst.

Meer informatie

TOP